Patrick Leigh Fermor

 

Jaren geleden zwierf ik tijdens een vakantie gedurende een aantal weken door de bergen van de Mani, het woeste gebied in het zuiden van de Peloponnessos in Griekenland. In het dorpje Kardamyli rustte ik een paar dagen uit van een zware tocht naar de top van de Profitis Ilias. In het dorp kocht ik bij de plaatselijke boekhandel/sigarettenwinkel het boek Mani. Travels in the Southern Peloponnese. Het bleek een van de beste boeken die ik ooit over Griekenland heb gelezen en was geschreven voor Patrick Leigh Fermor.

 

In het boek – in 1958 verschenen – trekt Fermor te voet dwars door de Mani. Hij begon zijn reis in het bergdorp Anavryti, op de flanken van het Taygetos-gebergte. Daar kreeg hij te horen: “Mani! Waarom wilden we daarheen? Het was een verschrikkelijk volk: wilde, verraderlijke mensen, messentrekkers, – machairovgaltes! – en ze schoten op mensen vanachter de rotsen.” Hij en zijn vrouw Joan lieten zich niet afschrikken, trokken dwars over het gebergte naar het dorp Kampos en belandden uiteindelijk in de kustplaats Kardamyli. Vanuit dat dorp trokken ze vervolgens het hele schiereiland rond om uiteindelijk in het havenstadje Gythio te eindigen.
In Kardamyli had de schrijver verzucht: “Het was een verleidelijke gedachte een van hen te worden, me voor maanden met boeken en schrijfpapier in dit kleine hotel te vestigen.” Die gedachte heeft hem blijkbaar nooit meer losgelaten, want een aantal jaren na publicatie van het boek kocht hij net buiten Kardamyli in het gehucht Kalamitsi een stuk grond, en vestigde hij zich daar met Joan in het door hemzelf ontworpen huis.

 

“Het was een verschrikkelijk volk: wilde, verraderlijke mensen, messentrekkers.”

 

Wat dit boek zo bijzonder maakt, is de verweving van zijn persoonlijke belevenissen met een uiteenzetting van de plaatselijke gebruiken, de taal, de dialecten, de kleding, de architectuur, de iconografie en de geschiedenis. Weinig reisschrijvers zijn in hun beschrijvingen zo veelzijdig als Fermor. Hij is als geen ander thuis in de Griekse geschiedenis, is een groot liefhebber van uitstervende nomadische minderheden, schrijft met verve over het Griekse bijgeloof, verdiept zich in de myroloyia (rouwzangen) en geniet ondertussen van de gastvrijheid van de Grieken en het bijbehorende eten en drinken.

 

Een jaar later ben ik opnieuw in Kardamyli. Ik wil Fermor graag bezoeken, en loop vanuit de dorp naar de baai waar hij zijn huis heeft gebouwd. Het is even zoeken – de schrijver houdt waarschijnlijk niet van pottenkijkers – maar na een uurtje vind ik dan toch het bewuste huis. Het ligt op een prachtige plek, direct aan zee, temidden van een grote olijfgaard. De toegangspoort is gesloten, er staat geen auto en en ik zie geen beweging als ik probeer over de hoge muur te kijken. Als ik door het luikje in de voordeur kijk, zie ik in het halletje een bezem staan en een oude linnen boodschappentas hangen.

 

Roumeli, Travels in Northern Greece
Terug in het dorp vind ik tot mijn grote vreugde bij dezelfde kleine boekhandel een tweede boek over Griekenland van deze schrijver: Roumeli, Travels in Northern Greece. Ook raak ik met de boekhandelaar in gesprek over Fermor. Hij weet me te vertellen dat O Michalis, zoals de Brit door de Grieken werd genoemd, er momenteel inderdaad niet is maar in London verblijft.
Ook Roumeli blijkt een fantastisch boek. ‘Roumeli’ is een vreemd begrip. Het is een regio in Griekenland en toch kun je de naam Roumeli niet terugvinden op kaarten van het hedendaags Griekenland, zo legt de schrijver in de inleiding uit. “It is not a political or an administrative delimination but a regional, almost a colloquial, name; rather like, in England, the West or the North Country, the Fens or the Border. Its extent has varied and its position has wandered rather imprecisely.”

 

Toch kun je de naam Roumeli niet terugvinden op kaarten van het hedendaagse Griekenland.

 

Een paar eeuwen geleden werd de naam gebruikt om ruwweg het hele noorden van het huidige Griekenland aan te duiden, het gebied van de Bosporus in het Oosten tot aan de Adriatische Zee in het westen, van Macedonië in het noorden tot aan de Golf van Korinthe in het zuiden. Na de onafhankelijkheidsstrijd van de Grieken, in de jaren ’20 van de 19e eeuw, werd de naam alleen nog gebruikt voor het zuidelijke gedeelte van dit gebied dat destijds de kern vormde van de nieuwe Griekse staat.
De naam ‘Roumeli’ was afgeleid van Rum millet, zoals de Ottomanen de regio noemden waar de Grieks-orthodoxe inwoners van hun rijk woonden. ‘Millet’ was de term die werd gebruikt om een religieuze gemeenschap aan te duiden; zo was er bijvoorbeeld een Joodse millet, een Grieks-orthodoxe millet en natuurlijk een islamitische millet. Rum refereert aan Romeinen, en zo werden de Grieks-orthodoxe inwoners van het Ottomaanse rijk genoemd, omdat ze voorheen deel uitmaakten van het Oost-Romeinse of Byzantijnse rijk.

 

De schrijver gebruikt de naam Roumeli voor zijn in 1966 gepubliceerde boek om verschillende verhalen door de noordelijke Griekse provincies in onder te brengen. Het eerste hoofdstuk speelt zich af in Thracië, waar hij een bruiloft van Sarakatsani-nomaden bezoekt. In het tweede hoofdstuk bezoekt hij de Meteora-kloosters in Thessalië en twee andere hoofdstukken hebben Centraal-Griekenland tot onderwerp. Maar het gebruik van de naam ‘Roumeli’ is veel meer dan een handige manier om verhalen over een aantal verschillende provincies onder te brengen. Voor de romanticus Patrick Leigh Fermor is de naam ‘Roumeli’ ook een symbool voor het authentieke, niet verstedelijkte Griekenland, voor de gebruiken en dialecten die verdwijnen, en voor een land waar het toerisme nog niet heeft toegeslagen. In zijn eigen woorden: “This obsolete and elastic use simultaneously provides an alibi from the district modern sense and an illusory semblance of unity to these random journeys. Better still, the trisyllable is full of echoes and hints and buried meanings which are deeply relevant to the book’s main theme.”

 

Mani en Roumeli worden algemeen beschouwd als de twee beste reisboeken over het vasteland van Griekenland en dat zijn ze zeker voor mij persoonlijk. Beide boeken beschrijven een Griekenland dat de toerist normaal gesproken niet ziet. Fermor reist met name door de afgelegen, minst bezochte en slechtst bereikbare streken. De afgelegen berggebieden, waar de gebruiken vaak nog zijn, zoals die honderden jaren geleden waren.
In een interview met Fermor las ik dat het schrijven van deze boeken deels ook voortkwam uit de wens de oude gebruiken te onderzoeken en vast te leggen voor ze zijn verdwenen. Want, zo zei hij: “Progress has altered the face and character of the country” en erger nog: “Tourism destroys the object of its love”.

 

Fermor reist te voet, krijgt af en toe een lift.

 

Ook spreekt zijn manier van reizen mij erg aan. Fermor reist te voet, krijgt af en toe een lift en reist soms per bus. Dat doet hij bewust, want, zo zegt hij in een ander boek: “Te voet is het, anders dan met andere vormen van reizen het geval is, onmogelijk geen contact op te doen.” Dat contact is dan ook kenmerkend voor zijn reis, en voor zijn boek. Hij raakt voortdurend in gesprek met de plaatselijke bevolking, wordt uitgenodigd te komen eten en logeren, en vraagt ondertussen iedereen het hemd van het lijf. Het schrijven van het boek was voor hem dan ook een manier om de inwoners en hun gebruiken in dit afgelegen gebied te onderzoeken en vast te leggen, voor ze zijn verdwenen.

 

Het Nederlands taalgebied heeft lang moeten wachten op de vertaling van Mani. Pas in 2005 verscheen de Nederlandse vertaling van het boek bij uitgeverij Atlas onder de titel ‘Mani. Reizen door het zuiden van de Peloponnesus’.

 

Een leven van reizen en schrijven
Gelukkig voor mij heeft Fermor nog veel meer geschreven. Het meest bekend is zijn trilogie over de voettocht dwars door Europa, die hij in 1933-34 maakte. Het is een prachtig verhaal en vertelt je tegelijkertijd veel over de schrijver zelf. Alhoewel Fermor in 1915 in een gegoede familie werd geboren, wilde hij niet echt deugen op school. Op 18-jarige leeftijd besluit hij schrijver te worden en in zijn eentje een voettocht te ondernemen van Hoek van Holland naar Istanbul. Hij vertrekt op 8 december 1933 en zal uiteindelijk iets langer dan een jaar onderweg zijn; op 1 januari 1935 bereikt hij Istanbul.
Het voltooien van die wandeltocht is blijkbaar geen reden om naar huis terug te keren. Fermor trekt vervolgens nog door Griekenland, gaat een tijdje met zijn vriendin – de Roemeense prinses Balasha Cantacuzina – op het schiereiland Pilion wonen en vestigt zich daarna met haar in Roemenië. Tot Groot-Brittannië op 3 september 1939 de oorlog aan Duitsland verklaart en Fermor besluit in het leger dienst te nemen. Vanwege zijn kennis van de Griekse taal wordt hij al snel aangesteld als verbindingsofficier naar Kreta gestuurd om daar het verzet tegen de Duitsers te helpen organiseren.

 

Na de oorlog vervolgt hij zijn leven met reizen en schrijven. Zijn eerste boek – The Traveller’s Tree – wordt in 1950 gepubliceerd. Het succes van het boek en het winnen van een prijs, leidt ertoe dat hij doorgaat met zijn ambitie om van het schrijven te leven. Vanaf de jaren ’60 vestigt hij zich met zijn geliefde Joan in het Griekse Kardamyli. Met regelmaat verschijnt er een reisboek. Pas echt bekend wordt de schrijver met de verhalen over de voetreis die hij als 18-jarige maakte. Deel 1, getiteld A Time of Gifts, verscheen in 1977 en het tweede deel, Between the Woods and the Water, werd in 1986 gepubliceerd. De boeken behoren tot de beste reisliteratuur en hebben Fermor wereldberoemd gemaakt. Nadat deel 2 was gepubliceerd, boog de schrijver zich over deel 3. Dat moest het stuk van Roemenië tot aan Istanbul beschrijven. Helaas is het hem nooit helemaal gelukt, dit boek af te ronden. Maar toen Fermor op 10 juni 2011 overleed, lag er gelukkig nog wel een onvoltooid manuscript. De reisschrijver Colin Thubron en Fermor’s biografe Artemis Cooper hebben er uiteindelijk voor gezorgd, dat deel 3 in 2013 onder de titel The Broken Road in de winkel lag.

 

Gelukkig voor mij, en alle andere Fermor-adepten, is er sinds een paar jaar ook nog In tearing haste, een verzameling brieven die Fermor en vriendin Deborah Devonshire elkaar de afgelopen 50 jaar schreven, de biografie Words of Mercury die Artemis Cooper schreef en sinds afgelopen jaar Dashing for the Post. The Letters of Patrick Leigh Fermor.
Tot slot: het huis dat o Michalis en zijn vrouw in de Mani hebben gebouwd, is na hun dood nagelaten aan het Griekse Benaki Museum. Het idee is dat het op termijn kan worden gebruikt door schrijvers en kunstenaars die zich daar in alle rust een tijdje willen terugtrekken voor hun werk. De crisis die Griekenland sinds 2008 heeft getroffen, heeft ertoe geleid dat het huis nog steeds niet in gebruik is. Vorig jaar ben ik er nog een keer gaan kijken. Ook deze keer werd er – uiteraard – niet open gedaan. Zijn boodschappentas hing nog in het halletje bij de voordeur.

 

Meer reisportretten…