Met de Greyhound door de Verenigde Staten

penpunt-pn-bv

 

De Grand Canyon zien, over de Route 66 rijden, een avondje doorzakken in New Orleans en wandelen door het Golden Gate park in San Francisco en Central Park in New York: dat waren de dingen die ik in ieder geval wilde doen in de Verenigde Staten. Alles wat er naast deze bestemmingen op mijn pad zou komen, was welkom. De reis zou me gemakkelijk af gaan, dacht ik. Maar voor een Europeaan is in de VS niets zoals het lijkt. Nergens was ik me zo bewust van mijn Europese wortels dan hier. Omdat de omgeving zoveel lijkt op de mijne, werd ik telkens weer op het verkeerde been gezet.

 

Na een positieve ervaring met de Greyhound in Australië had ik bedacht om ook hier met dit vervoermiddel het continent te doorkruisen. Maar de Greyhound in Australië is de Greyhound in Amerika niet. Het ticket was spotgoedkoop: dat was een groot voordeel. Van Miami via de Everglades naar Georgia, langs de zuidgrens van enkele zuidelijke staten, via Flagstaff naar Santa Barbara in Californië, en daarna van San Francisco via Salt Lake City tot aan Denver kostte me $ 400 in twee maanden. Daarna was mijn ticket verlopen en besloot ik verder te reizen met de auto en de trein.

 

De Everglades

Het startpunt van mijn reis is Miami. Niet omdat dat me nou zo’n boeiende stad leek. Integendeel: ik heb tegen deze stad opgezien, die een crimineel bolwerk lijkt in alle tv-series waar ik haar van ken. Maar de Everglades die ten zuiden van Miami liggen, trokken me des te meer.
Ik verblijf in de stad om te acclimatiseren en vertrek een paar dagen later naar Florida City. Daar is het Everglades Hostel mijn uitvalsbasis. Zestien kilometer verderop ligt de ingang van het nationaal park, dat een klein gedeelte beslaat van dit unieke moerasgebied. Ik huur een fiets en rijd met een gallon water, crackers en fruit de Everglades in. Af en toe scheurt er een auto of motor langs, maar meestal ben ik de enige op de weg. Voor en achter me verdampt de weg in de verte, het einde niet in zicht. Ik ben blij als ik eindelijk kan afslaan zodat ik de eentonigheid van het platte, vochtige land kan onderbreken. De afslag leidt me naar de Aningha Trail, een pad langs een rivier waar het wemelt van het leven. Ik volg het pad te voet over steigers het moeras in, dwars door mangroven. Onder me drijven alligators als boomstronken op het water. Ze lijken soms te glimlachen, te lachen zelfs, in stilte, met open bek zodat ik hun tanden kan tellen. In een zijriviertje vol met schildpadden en alligators staat een watermeter. Het waterpeil is het afgelopen jaar verontrustend ver gezakt en dat gaat gestaag door. Hoewel de Everglades aan het einde van de eeuw waarschijnlijk overstroomd zijn door het stijgen van de zeespiegel, zakt momenteel het waterpeil doordat er te veel water wordt onttrokken voor de steden rondom het gebied en de irrigatie van het land om suikerriet te verbouwen. Dit heeft enorme gevolgen voor de flora en fauna in Zuid-Florida. Door de verminderde toestroom van zoetwater vanuit het noorden is de balans tussen zoet- en zoutwater ernstig verstoord. Het lage water maakt de erin levende dieren kwetsbaar en moerasplanten drogen uit. Ook vervuiling eist zijn tol: het kwikgehalte in de vissen is hier schrikbarend. Het wordt afgeraden om vis te eten die in de Everglades is gevangen omdat er soms zeven keer de toegestane waarde aan kwik in wordt gevonden. Een aantal jaar geleden is hier een dode panter gevonden met een kwikgehalte in haar lichaam dat een volwassen mens kan doden.

 

 

Midden op het pad ligt een dikke alligator.

 

 

Ik keer om en wandel terug naar mijn fiets. Midden op het pad ligt een dikke alligator. Hij lijkt daar voorlopig ook wel te willen blijven. Ik denk aan de waarschuwing die ik gisteravond kreeg van iemand in het hostel: loop nooit tussen een alligatormoeder en haar kinderen door. Ik zie nergens kleine alligatortjes, en misschien is dit niet eens een vrouwelijk exemplaar. Maar pas als er een wandelaar langsloopt die me belooft de alligator bij zijn staart te pakken als hij me achterna dreigt te komen, vat ik de moed het dier te passeren. Tot mijn schrik staat hij op als ik hem passeer. Ik schiet vooruit. Als een gepantserde machine wandelt hij op hoge poten de struiken in. Een waterplant steekt uit zijn bek.

 

Robert was Here
Op de weg terug ontdek ik een paradijs: Robert was Here, een groente- en fruitmarktje vol met lokale vruchten en groenten. Vers fruit, sappige tomaten, dikke paprika’s, zelfgemaakte jam, ingemaakte groenten, gedroogde papaja’s, mango’s, versgeperste sapjes, eigengemaakte fruitshakes en vreemde specerijen. Tientallen mensen staan in rijen voor Roberts’ befaamde fruitshakes. Boven de kraampjes wappert een Amerikaanse vlag. Ervoor staan oude landbouwwerktuigen. In één ervan zit een oude zwakzinnige cowboy te kwijlen, terwijl een countryzanger met gitaar zijn land bezingt.

 

Pensacola

Na een paar dagen Savannah reis ik door naar Pensacola. Ik verlaat het zompige Georgia, bomen behangen met Spaans mos glijden voorbij. Ik werp een blik de bus in, die onmiddellijk wordt opgevangen door de dame achter me. Ze vraagt me waar ik heen ga en als ik haar dat vertel, zegt ze enthousiast dat we dan de rest van de reis samen doorbrengen. Wat ik het liefste lees? is haar volgende vraag. Vervolgens haalt ze met een zwaai de bijbel uit haar tas: háár favoriete boek. Ze draagt een enorme bril en heeft een natuurlijke watergolf die als een soort mat in haar nek ligt. Haar naam is Maggy. Naast haar ligt een dikke dame te slapen. “Her father is dying,” articuleert Maggy zonder stem terwijl ze een schuine blik op haar buurvrouw werpt.

 

In Jacksonville stappen we over. De drie uur durende wachttijd breng ik lezend door. Maggy zit naast me te breien. We delen een aversie tegen het Amerikaanse junkfood, en ze stopt me bleekselderij, rijstwafels en amandelen toe. De reis vervolgt van Jacksonville naar Tallahassee. Een potige zwarte dame die niet met zich laat spotten, zit achter het stuur. Ze rijdt ons dwars door trailerparken waar de passagiers één voor één uitstappen: de poor white trash van de andere kant van de Amerikaanse medaille. Het ziet er best gezellig uit in hun trailers. Maar ik blijf zitten waar ik zit en dompel me onder in de gesprekken om me heen.

 

Pulp Fiction
Twee oudere mannen, een zwarte en een blanke, over hun huwelijken: “I got no roooom.” (Zo spreken ze dat hier uit, lang en lijzig.) “Yeah, women have strange ways of doing things.” De dames in de bus bemoeien zich opgewonden met het gesprek. Niemand kent elkaar, maar iedereen wisselt met het grootste gemak intimiteiten uit. Een man vertelt een andere man over de bevalling van zijn vrouw: “All that blooood.” Ik begin te vatten dat de meeste mensen die mij voorkomen alsof ze uit een film stappen, slechts mijn idee zijn van karikaturaal Amerika: dat Amerikaanse films geen karikaturen laten zien, maar dat Amerika écht zo is. Pulp Fiction is geen parodie; het had zich werkelijk zo kunnen afspelen ergens in dit land.

 

Apocalypse now
Pensacola stelt zich graag voor als wandelstad. Daar houd ik van, dus ik verlaat goedgehumeurd mijn charmante Bed & Breakfast. Maar al gauw moet ik mijn verwachtingen bijstellen. Alles is redelijk op loopafstand maar er is vanuit het perspectief van een automobilist gebouwd. Om bij het Visitors Centre te komen, moet ik een snelweg oversteken. Daar kom ik erachter dat Pensacola Beach op een eiland ligt en niet te bereiken is zonder auto. Een bus gaat er niet heen. Door Mainstreet loop ik naar de pier. Dit is een grote, brede straat vol winkels, maar ik ben de enige die er loopt. Twee dames die werken in één van de cafés roepen me toe dat ik er net zo goed uitzie als zij zich voelen, wat geen compliment is maar een grap. Want ik zie er slecht uit na mijn busreis (en heb net een griep achter de rug). Dan ontdekken ze dat ik Nederlandse ben. “I looooove foreigners,” zegt één van hen terwijl ze haar hoofd in haar nek gooit en haar mond ver openspert bij het woord love. Ze vertelt dat ze in Amsterdam is geweest, dat iedereen er fietst en dat het station bezaaid is met fietsen. Voor het geval ik dat niet weet. Het zal haar wel net zo raar voorkomen dat daar iedereen fietst, dan dat het mij raar voorkomt dat hier niemand loopt.

 

 

Het is alsof ik een gebied betreed nadat er een nucleaire wolk doorheen is geraasd.

 

De hele dag kom ik geen voetganger tegen. Het is alsof ik een gebied betreed nadat er een nucleaire wolk doorheen is geraasd. Alsof ik op een plek ben waar ik eigenlijk niet mag zijn. Alsof iedereen vanuit een raam in één van die vele gebouwen in één van die lege, brede straten naar mij aan het kijken is en in de gaten houd wat ik doe. Ik maak een foto van dit apocalyptische straatbeeld, maar durf het amper te doen. Ik weet niet wat ik hier doe. Ik begrijp deze stad niet, haar structuur, de manier van leven die daaruit voortkomt. Wat gebeurt hier werkelijk? Waarom zou iemand hier willen wonen? Waarom worden er bezoekers verwacht? Mis ik iets? Zie ik iets over het hoofd? Ik voel me hier he-le-maal niet op mijn plaats. Ik besluit geen dag langer te blijven, en morgen verder te reizen. Ik pin nog wat geld en loop terug naar de veilige haven van mijn Bed & Breakfast. Daar reserveer ik een hotel in New Orleans. Daar zullen ze toch wel op straat lopen?

 

De knuffelbezorger
Een taxi brengt me de volgende dag naar het Greyhound-station. Daar tref ik de knuffelbezorger. Overal in stations staan speelkasten waarmee je een knuffelbeest kunt pakken met een grijparm die je tegen betaling kunt bedienen. Die kast moet natuurlijk regelmatig worden aangevuld met nieuwe knuffelbeesten. Daarvoor komt de knuffelbezorger langs met een enorme zak vol knuffels. Dat is geen sinecure; deze man neemt zijn werk zeer serieus. Hij zorgt ervoor dat er genoeg knuffels in de kast zitten, genoeg diversiteit en dat ze er allemaal mooi bij staan. Het staaldraad in de oren rond gebogen, gezichtjes vooruit, allemaal dezelfde kant op en evenwichtig verdeeld, de armen om elkaar heen. Hij maakt er een kunstwerkje van, doet af en toe een paar passen terug om overzicht te krijgen van het resultaat van zijn ijver. Ook haalt hij er een paar knuffels uit, die gaan weer mee in de zak naar een ander Greyhound-station. Hij laat mij met een liefdevol stilleven achter.

 

Het zwarte verleden van de VS

Er is weinig waar de Amerikanen meer mee worstelen dan met hun aandeel in de geschiedenis van de slavernij. Mijn zoektocht naar boeken over Indianen is tot nu toe tevergeefs: maar de boekenwinkels en bibliotheken staan vol met boeken over de slavernij en de afschaffing ervan, de daarna volgende apartheidswetten, en iconen zoals Martin Luther King. De geschiedenissectie begint niet met de geschiedenis van de Indianen, die dit land toch al tienduizenden jaren bewonen, maar met de Burgeroorlog die plaatsvond tussen 1861 en 1865.

 

In het Louisiana State Museum in New Orleans begint de omvang van de slavernij en de impact ervan op de Amerikaanse psyche langzaam tot me door te dringen. In Louisiana hebben de blanken zich lang verzet tegen de afschaffing. Slavernij werd rond 1800 afgeschaft in de meeste noordelijke staten, maar in het zuiden bleven slaven nodig om aan de katoenvraag in de wereld te kunnen voldoen. In 1800 kon je voor $ 500 een goede slaaf kopen; twintig jaar later was die prijs verdubbeld. Hele families werden uit elkaar gehaald, de mensen per stuk verkocht. De bewijzen ervan liggen uitgestald in de vitrines: koopbewijzen van kleuters, weggehaald bij hun moeders, verhalen van huilende, smekende ouders. Vernederende taferelen van opgedofte Afrikanen op slavenmarkten die in hun mond werden gekeken. Tot aan het begin van de 19e eeuw werden honderdduizenden mensen vanuit Afrika naar de VS gedeporteerd. Daarna ontstond een bloeiende smokkelhandel. In 1866 kregen alle ingezetenen van de VS gelijke burgerrechten, dus ook de slaven. Het Vijftiende Amendement gaf hun ook stemrecht. Honderden zwarten werden gekozen tot volksvertegenwoordigers van de deelstaten, vijftien werden lid van het Huis van Afgevaardigden, en twee werden senator. Deze verlichtende fase, waar ik niet van wist, duurde tot 1872.

De racistische zuiderlingen lieten het hier niet bij zitten. In 1865 werd de Ku Klux Klan opgericht om de opkomende burgerrechten voor zwarten terug te draaien. Een paar jaar later werd de KKK verboden, maar de weerzin tegen de vrije zwarten was groot. Er werd van alles bedacht om hun rechten weer te beperken. Het gebruik van hun kiesrecht werd verhinderd en er werden apartheidswetten ingevoerd. Maar dit strookte weer niet met het gelijkheidsbeginsel van Amerika. Uiteindelijk werd bedacht dat rassenscheiding wettig was, zolang beide rassen dezelfde faciliteiten kregen. Dus ze mochten in de bus, maar dan alleen achterin; ze mochten naar school, maar niet naar een blanke school. Deze wetten werden in 1964 afgeschaft.

 

Tussen de verschoppelingen
In het holst van de nacht brengt een taxi me naar het station van New Orleans om verder te gaan naar San Antonio. Dat is nog niet open, waardoor ik noodgedwongen buiten voor de ingang bij een paar duistere types moet aansluiten. De taxichauffeur drukt me bezorgd op het hart voorzichtig te zijn. Hij rijdt af en toe nog even langs om te kijken of alles in orde is.

 

De bus zit weer vol met te dikke mensen, het vet van hun lichaam als een natuurlijke zitzak om hen heen. De man naast me begint luid te snurken. Zijn arme lijf moet hard werken om zuurstof binnen te krijgen. Terwijl ik het koud heb door de airco die altijd overal aanstaat – hotelkamer, bus, openbare ruimten – druipt bij hem het zweet van het voorhoofd achter zijn oren. Tijdens een korte stop waggelt hij de bus uit om een sigaret te roken, waarna hij weer terugwaggelt om verder te slapen. Hij pikt mijn stoel in zodat ik van Baton Rouge tot Houston gedwongen ben om achterin de bus te gaan zitten. De hiërarchie in de bussen is eigenlijk niets veranderd ten opzichte van de jaren vijftig, toen zwarte mensen verplicht werden achterin te zitten en hun plaats af te staan aan blanken als die daar om verzochten. Hoe verder je naar achteren loopt, hoe lager de mensen staan in de sociale rangorde. Vandaag de dag niet per se zwart, maar wel arm of gestoord of een combinatie van beide. Alleen als je een mate van herkenning vindt in de mensen die er zitten, neem je er gemakkelijk plaats. Tenzij er voorin dus geen plek meer is. Dan zit je zoals ik nu noodgedwongen achterin tussen de verschoppelingen van dit land.

 

Freedom Riders
Ik moet denken aan de Freedom Riders: helden die in de zestiger jaren met gevaar voor eigen leven bedongen dat de wet werd nageleefd door de gescheiden faciliteiten op Greyhound- en Amtrak-stations te trotseren. Ze legden een route af van Washington naar New Orleans, en namen tijdens overstappen plaats in de restaurants en de wachtruimten waar het voor zwarten verboden was. Vaak werd hun bediening geweigerd, maar ze bleven zitten en eisten hun rechten op. Zonder geweld, in de geest van Ghandi, en naar voorbeeld van Martin Luther King tijdens de Montgomery busboycot. Regelmatig werden ze opgewacht door woedende blanken en werden ze finaal in elkaar getrapt. De politie wachtte een kwartiertje voordat ze in actie kwam zodat de relschoppers helemaal los konden gaan. De Freedom Riders lieten zich in elkaar meppen, belandden soms in het ziekenhuis en er ging zelfs een Greyhound met Freedom Riders in de fik. Maar ze vochten voor de gelijkheid en vrijheid waar Amerika zo de mond van vol had, en ze kregen uiteindelijk hun recht.

De strijd is gestreden. De zwarten zitten nog steeds bij de zwarten, de armen bij de armen en de gekken bij de gekken, maar ze mogen ten minste zelf bepalen waar ze gaan zitten.

 

San Antonio

San Antonio is een bizarre stad. Ik had er geen idee van dat zulke steden bestaan. Ik heb hier de hele dag in enigszins verbaasde toestand rondgelopen. Er is de Riverwalk, een wandelpad langs de rivier dat lager ligt dan de rest van de stad. Het meandert mee met de groenblauwe Alamo River waaraan veel groen, bruggetjes en eettentjes met als hoogtepunt een overdekt winkelcentrum waar alle boten samenkomen na een rondvaart over de rivier. Maar het is niet als vanzelf ontstaan, het is allemaal bedacht om te vermaken. Het doet aan als een kermis.

 

 

Ik heb er moeite mee dit land te doorgronden, er te aarden.

 

 

Het is net of niets hier echt is. De Europese cultuur kreeg hier voet aan de grond en is rücksichtslos over de oppervlakte uitgesmeerd. En ergens onderweg lijken de mensen het spoor bijster te zijn geraakt. Er zijn heus mooie, karaktervolle dingen neergezet, maar alle nieuwe dingen ontberen authenticiteit. Ik heb er moeite mee dit land te doorgronden, er te aarden. En ik mis mensen. Ik hoef ze niet eens te spreken, maar ik wil ze af tegenkomen. Gewoon lopend op straat, terwijl ze niet op me letten. Ik verblijf in een Super8 Motel aan de rand van het centrum pal naast een viaduct in het allerlaatste achterafkamertje met uitzicht op de parkeerplaats, een dode boom en een lullig zwembad. Ik was stomverbaasd toen ik er vanmorgen mensen zag zitten in hun zwemkleren op de plastic stoeltjes, terwijl schuin boven hen de auto’s voorbijraasden over het viaduct. Maar ik was bijna blij toen ik terugkwam uit het San Antonio Museum of Art, en er wéér mensen zaten. Tenmínste mensen. In de meeste zalen van het museum was ik helemaal alleen, en als ik door de ramen van het museum naar buiten keek, zag ik af en toe slechts een verdwaalde auto door de straten rijden. Ik was de hele tijd bang dat ze het museum zouden sluiten terwijl ik er nog rondliep, vroeg me af óf ik er eigenlijk wel rondliep. Ik vind bevestiging in een knalrood vogeltje dat in de dode boom zit. Een kraanvogel aan de rand van de Riverwalk, gieren boven Miami, pelikanen in New Orleans: ik voel me hier af en toe net zo misplaatst.

 

De Alamo
De volgende dag is het 23 februari en val ik met mijn neus in de boter: de slag om de Alamo wordt nagedaan. De Alamo is een oude missiepost in het centrum van San Antonio waar de Texanen op 23 februari 1836 door de Mexicanen zijn verslagen. De Mexicaanse generaal Antonio Lopez de Santa Anna overviel met vijfduizend soldaten het stadsgarnizoen waar rond de tweehonderd Texanen waren gelegerd. Deze groep trok zich terug in de Alamo, en pas toen zij hun munitie erdoorheen hadden geknald, konden de Mexicanen het gebouw bestormen. Alle mannen werden gedood, en sindsdien doen wilde, geromantiseerde heldenverhalen de ronde. Door heel de stad zijn festiviteiten georganiseerd om de slag om de Alamo te herdenken. Topattractie is een elektrische stoel waarop mensen kunnen plaatsnemen, terwijl er een foto wordt gemaakt. Saillant detail is dat die hier in Texas tot op vandaag de dag wordt gebruikt om de doodstraf mee uit te voeren.

 

El Paso

In El Paso waan je je eerder in Mexico dan in de VS. Ik wandel zuidwaarts tot de Santa Fe Street Bridge waarop je over de Rio Grande naar Mexico kunt lopen. Naarmate ik dichter bij de brug kom, komen er meer winkeltjes, geluiden, mensen en voor het eerst ook wat chaos. Dat ontbreekt hier tot nu toe, realiseer ik me. Alles wordt in hapklare brokken aangereikt, alles is overzichtelijk. Het is niet altijd even snel te vinden omdat er zo veel is of de afstanden zo groot, maar er wordt overal van tevoren al rekening mee gehouden. Elke verrassing wordt uitgesloten, iedereen op voorhand bang gemaakt. Maar in El Paso zijn ze niet zo bang. De rest van de VS is wel bang voor El Paso. Al die Mexicanen… Het zijn nog steeds geen vrienden van elkaar. Chicano’s, Mexicaans-Amerikanen, zijn lang als tweederangsburgers behandeld: veel van de apartheidswetten werden ook op hen toegepast. En nog steeds worden ze niet als volwaardige burgers gezien, volgens Antonio, een norse Chicano cowboy met een gouden hart die werkt in het hotel waar ik verblijf. “Arm Mexico, zo ver van God, en zo dichtbij de VS,” citeert hij Ponfirio Diaz, een oud-president van Mexico.

 

White Sands
Antonio neemt me mee naar White Sands. Langs klaproosvelden, katoenplantages en pecannotenbossen rijden we van El Paso naar dit nationaal monument in New Mexico. Een kleine zandwoestijn van gipskristallen met een oppervlakte van 580 km2 met het witste zand ter wereld dat schel afsteekt tegen de rode bergen eromheen. Het zand is zo wit dat het bijna al het zonlicht terugkaatst, waardoor het zo koud aanvoelt als een strand in de winter. Mijn voeten worden ijskoud terwijl de warme woestijnzon volop schijnt. Het is doodstil; geen vogel geen krekel, alleen de wind is te horen. Slechts een paar dieren kunnen in dit vreemde landschap overleven: een muizensoort, twee hagedissoorten en een paar insecten hebben de kleur van het zand aangenomen. Ook een paar planten heeft zich aangepast: ze groeien extra hard zodat ze niet worden begraven onder het altijd voortbewegende zand, of ze slaan hun wortels om het zand vast en groeien er bovenuit. Om het nationale monument heen ligt White Sands Missile Range. Het leger gebruikte dit gebied om wapens te testen. Tegenwoordig worden er ruimtetechnologische testen uitgevoerd en experimentele wapens uitgeprobeerd. Het is streng verboden er in de buurt te komen. Er loopt een Afrikaanse antilopensoort rond die daar jaren geleden is uitgezet om redenen die me niet duidelijk worden. Ze gedijen goed in dit gebied maar zijn een bedreiging voor de endemische flora en fauna geworden, zoals zoveel exoten die in een vreemde habitat worden uitgezet.

 

We zien de zon ondergaan in dit bizarre landschap. Het witte zand wordt blauw, en krijgt de contouren van een gigantisch voluptueus vrouwenlichaam. Erachter verdwijnt de zon in een gele, dan roze, dan donkerrode lucht. Zodra de zon weg is, neemt de kou van het zand de overhand en moeten we gaan.

 

Een dagje op het Greyhound-station
Ik ben vroeg opgestaan om de bus van El Paso naar Albuquerque, New Mexico, te nemen maar toen die arriveerde, waren er geen plaatsen meer beschikbaar. Pas vanavond vertrekt de volgende. Dus nu zit ik in het Greyhound-station en dood de tijd met lezen, gewelddadige films kijken op de tv’s die aan het plafond hangen – eerst één met Jean Claude van Damme in de hoofdrol en nu één met Schwarzenegger – en mensen kijken. De gelatenheid van de mensen is opvallend. Ik was de enige die verhaal ging halen omdat we niet met de bus meekonden terwijl we er wel een kaartje voor hadden gekocht. De meeste mensen op de stations lijken eraan gewend te zijn dat ze altijd maar weer achteraan moeten sluiten. Want alleen de losers reizen met de bus. Ik kan me de gekte van Amerika heel goed voorstellen. De agressie, de gefliptheid. Dat je doordraait op zo’n vies station waar je alleen maar eten kunt kopen dat ruikt naar kots terwijl je kijkt naar een tv die veel te hard staat met al dat geweld en die kunstmatige gezichten. Waar de wereld die daar wordt voorgeschoteld zoveel beter is dan de echte wereld.

 

Maar het wachten valt me mee. Ik zit op één van de ijzeren draadstoeltjes waar je een raamwerk van in je kont krijgt als je er lang op zit. Ze staan in een vierkant opgesteld bij elke uitgang. Het gezelschap in mijn vierkant bestaat uit een jongetje met witte gympies dat, net als ik, naar het Route 66 International Hostel in Albuquerque gaat. Twee oudere Mexicanen tegenover me: zij zorgt voor hem, hij ligt met zijn hoofd op haar relatief dunne benen die haar dikke vormeloze lichaam dragen. Ze vlooit hem als een apinnetje en haalt water voor hem. Hij heeft een stoïcijnse blik, hoort haar aan maar zegt niets terug. Bedankt haar ook niet voor het water. Ze geeft hem geld, en stopt de rest tussen haar borsten. Verderop ligt een man met een adem vol alcohol, zijn witte spillebeentjes in een wijde driekwartbroek. Hij is vannacht beroofd van een paar honderd dollar, vertelt hij bijna huilend, en nu zit de bus ook nog eens vol. Wat een pech.

 

Grand Canyon

In een hostel in Flagstaff, Arizona, ontmoet ik Richard, een gepensioneerde filosofieleraar. Samen huren we een auto waarmee we naar de Grand Canyon rijden. Ik was hier gisteren ook al, en wil hem op dezelfde manier laten kennismaken met de Grand Canyon als de gids mij dat had laten doen. Die gebood me met mijn hoofd naar beneden achter hem aan te lopen totdat ik vlakbij de afgrond stond, en op te kijken op het moment dat hij aangaf. Als je dat doet – kijken vanuit het puntje van je schoen naar die immensiteit aan ruimte – dan zie je in één oogopslag de grootsheid van dit gebied. Het wordt als beeld in je herinnering gebrand. Oneindigheid die in de verte in sluiers vervaagt, een dor, plat land dat wordt opengespleten in enorme ravijnen. In de diepte glibbert een klein bruin wormpje over het land. Dat is de Colorado rivier, die dit land samen met de wind in zo’n zes miljoen jaar heeft vormgegeven. In werkelijkheid is zij soms dertig meter breed.

 

 

Net op het moment dat ik zeg dat hij moet kijken, vliegt er één van de vijftig condors langs die nog in Arizona leven.

 

 

Mijn brein leek niet te kunnen bevatten wat ik zag en probeerde het uit arren moede terug te brengen naar herkenbare proporties: zoals ik het al heb gezien op een foto in een boek. Het was alsof er een gigantisch doek was opgehangen met het grootste schilderij ter wereld. Alsof ik in een plaatje stond van een viewmaster en me bevond in een macrokosmisch Panorama Mesdag. Hoe hebben de mensen zich gevoeld die dit voor het eerst aanschouwden, niet wetende dat er zoiets groots kon bestaan? Richard loopt met gehangen hoofd achter me aan. Net op het moment dat ik zeg dat hij moet kijken, vliegt er één van de vijftig condors langs die nog in Arizona leven. Hij vliegt van de ene klif naar de andere en scheert vlak langs ons heen. De enorme vogel, die een vleugelbreedte van drie meter kan hebben, verandert gestaag in een stipje tegen de roodbruingroene achtergrond.

 

Heel even in Las Vegas

Op weg van Flagstaff naar Santa Barbara, Californië. Een mooie zonsondergang gaat over in een donkere nacht met duizenden sterren. Vanuit het niets doemt Las Vegas op in miljoenen lichtjes. Gekte. Knipperende neonlichten in alle kleuren. Chaotisch. Het is de uitstalkast van de Amerikaanse cultuur: een hoogtepunt van het kapitalisme, wat mij betreft een dieptepunt van de menselijke beschaving. Beide komen samen in het Greyhound-station. Voordat ik er naar binnen loop, word ik al moedeloos. Hier moet ik drie uur wachten op een bus naar Los Angeles.

 

In de hal staan de mensen in lange rijen te wachten op hun bus. Er lopen veel diefjes rond, beschadigde jongetjes die hun blik snel over de ritsen van mijn rugzak laten glijden. De stoeltjes in de felverlichte wachtruimte zijn gericht op de tv die op vol volume op een sportzender is afgestemd. In dezelfde ruimte staan de speelautomaten met schietspelletjes. Naast één van die automaten is de laatste zitplaats beschikbaar. Ik zoek hartstochtelijk naar een gelijkgestemde, al was het maar in uiterlijk vertoon. Jezus, wat wil ik graag dat ik hier niet ben: midden in de nacht, badend in het neonlicht in die kakofonie van geschiet, geschreeuw en tv-geweld. Er komt al gelijk iemand naast me staan. Waar ik vandaan kom, waar ik naar toe ga, wat ik doe in Holland. Ik geef geduldig antwoord. Een doof meisje vraagt me of ik op haar spullen wil letten: een doos vol kettingen met plastic speelkaartjes, waarvan ze me er later twee om mijn nek hangt als dank. Een man vraagt me hetzelfde. Van hem krijg ik een paar chocolaatjes in de vorm van hartjes met een Barbie-afbeelding erop. Hij vraagt me wat I love you in het Nederlands is. Hij verstaat me niet doordat de tv zo hard staat. IK HOU VAN JE hoor ik mezelf schreeuwen door het station. Hij vraagt me waarom ik bloos. Doe ik dat? Als ik zie dat er mensen in de rij gaan staan voor de bus naar LA, verkas ik naar de hal. Een oude cowboy ligt op zijn koffers en loert vanonder zijn hoed naar de mensen om hem heen. Hij heeft duidelijk een droge mond en steekt af en toe zijn tong uit om zijn ondergebit goed te doen. Een bovengebit heeft hij niet. Twee peervormige oude dames achter me hebben hun haar met dezelfde lichtpaarse kleurspoeling behandeld. Eén ervan heeft het als een ragebol getoupeerd. Voor me in de rij staat een Japanner. Hij lijkt normaal en kijkt erg vriendelijk, maar hij barst af en toe ineens zonder aanwijsbare reden in onbedaarlijk lachen uit. Misschien heeft hij de jackpot gewonnen.

 

Europees Californië

Na een louterend weekje in Santa Barbara rijd ik noordwaarts naar San Francisco. Californië is anders dan de andere staten waar ik tot nu toe doorheen ben gereden; het doet vertrouwd aan. Groene glooiende heuvels met een paarse, gele of oranje gloed van lentebloemen die er als een sluier van tule overheen ligt. Hoog de bergen in waar alleen maar naaldbomen groeien, en weer naar de zee met palmbomen. De binnenkomst in San Francisco is spectaculair. Door een tunnel kom je op de Bay Bridge vanwaar je een geweldig uitzicht hebt op de stad. De zon gaat onder. En ja, ik zie het gelijk: deze stad heeft een ziel.

 

Flowers in your hair
San Francisco doet Europees aan. Is dat waarom ik er een ziel in herken? Ik kijk naar dit land door een Europese bril, vanuit mijn Europese perceptie. Heb ik tot nog toe iets gemist? Misschien zit er net zoveel diepgang in San Antonio als in San Francisco, maar ben ik eenvoudigweg niet in staat die te zien. Het is alsof de mensen in San Francisco overal meer tijd voor nemen: voor hun huizen, de bloemen in hun tuin, voor zichzelf, hun kleding, de etalages. Door de hele stad zijn prachtige muurschilderingen te vinden. Huizen zijn van onder tot boven beschilderd met historische taferelen. Ik loop door Haight Street, de hippiestraat waar het allemaal gebeurde in 1967, mijn geboortejaar. Het blijft maar in mijn hoofd zitten: San Francisco van Scott McKenzie (If you’re going to San Francisco, just be sure to wear flowers in your hair). De sfeer hangt er nog vaag als een vervlogen geest: ze manifesteert zich in vergane glorie op de in alle kleuren geschilderde Victoriaanse huizen. De onschuld is er af.

 

Nu zit ik voor mijn raam met een verboden fles wijn binnen handbereik (alcohol is verboden in de meeste hostels), de New York Times en een macrobiotische salade. Buiten loopt een protesterende meute pal achter mijn hostel langs: een manifestatie voor wereldvrede. Ik kan het net niet zien als ik uit mijn raam hang, maar ik hoor het des te meer. Het is dat mijn voeten zo moe zijn, anders was ik even gaan kijken. Eindelijk begrijp ik de mensen om me heen weer.

 

Yosemite
In Yosemite National Park wil ik nou wel eens wat meer zien van de Indiaanse cultuur. Hoewel overal waar ik kom in de VS de geschiedenis zo benadrukt wordt in strak gerenoveerde Old Towns, verwijzingen naar historic sites, en oorlogsmonumenten in Memorial Parks en Freedom Trails, zie ik nergens iets wat duidt op de geschiedenis van de oorspronkelijke bewoners van dit continent. Wellicht dat er in een wildernis als Yosemite nog wel sporen van Indianen te vinden zijn. Ze hebben er tenslotte zesduizend jaar ongestoord geleefd. Zij noemden het gebied Ahwahnee, en zichzelf de Ahwahneechee. Toen er in 1848 goud werd ontdekt in de Sierra Nevada, was het uit met de rust. Waar zijn de nakomelingen van deze mensen?

 

 

Ik steek een uitgestrekt veld over. Halverwege ontdek ik tot mijn afgrijzen dat het bezaaid is met spinnen.

 

 

Ik verblijf in Midpines, een dorpje in de heuvels van Yosemite net buiten het nationaal park. De Yarts, een klein busje, komt elk uur langs en rijdt in een uur naar het Visitors Centre in het hart van het park. In de bus zitten veel mensen die er werken. Zoals overal begint iedereen me te bevragen. Waar ik vandaan kom, wat ik vind van Yosemite, of het restaurant van het hostel goed is, en of zij daar ook kunnen eten. Bij het Visitors Centre neem ik het pad naar Mirror Lake, een meer aan de voet van de Half Dome, een rots die het symbool van het park is geworden. Daar sla ik het pad in dat rond de kreek loopt. Althans, het wordt een kreek genoemd maar al gauw zwelt die aan tot een oorverdovende rivier. Ik kom niemand tegen, en hoop op een glimp van een poema of een beer. Voor de zekerheid stop ik wat stenen in mijn zakken en draag ik een grote stok met me mee. Na een heftige klim kom ik uit op een door God verlaten plek. De bliksem lijkt hier ingeslagen. Een bos gespleten bomen ligt op de grond en bedelft het pad. Klimmend over gigantische dode woudreuzen volg ik de rivier tot aan een ander dood bos dat nog wel overeind staat. Gesmolten sneeuw druppelt op het mos, kleine stroompjes water sijpelen door het riet en voegen zich bij de snelstromende rivier. Ik steek een uitgestrekt veld over. Halverwege ontdek ik tot mijn afgrijzen dat het bezaaid is met spinnen. Ze duiken onder de bladeren als ik eraan kom. Overal waar ik kijk, schieten grijze harige schimmen voor mijn voeten weg. Ik ren het veld over en snijd een stuk af door via een boom in de rivier naar de overkant te springen. Een bord verwijst naar Ahwahnee, maar het heeft weinig met Indianen te maken. Het is de naam van één van de hotels die hier zijn gebouwd.

 

Terug bij het Visitors Centre bezoek ik de begraafplaats van de pioniers van Yosemite, de eerste blanken die hier leefden. Achter het Visitors Centre vind ik de eerste echte verwijzing naar de Indianen. Er is een Ahwahneechee-dorp gereconstrueerd. Het heilige huis dat er is nagebouwd, wordt door het handjevol Ahwahneechee dat hier nog leeft echt gebruikt als ceremoniële plek. Ze moeten hun rituelen nota bene in een museumdorp uitvoeren dat is gebouwd voor toeristen in wat tot voor kort hun eigen land was. Ik word er droevig van. Ik neem de Yarts terug naar het hostel. In de bus zitten dezelfde mensen als op de heenweg. Ze halen me binnen als de verloren dochter.

 

Sacramento
In de toeristenbladen zag het er allemaal zo veelbelovend uit: Sacramento, hoofdstad van Californië. Maar het is weer zo’n saaie Amerikaanse stad waarvan ik er zo veel heb gezien de afgelopen weken. Een Old Town in het hart van de stad, een klein compact oud centrum waar de stad is ontstaan. Daaromheen is de stad in volle breedte uitgegroeid in de vorm van een vierkant grid. In het oude centrum wordt het verleden nagespeeld: door paarden getrokken koetsen vervoeren toeristen door de drie straten die het historic district beslaan. Daarbuiten is het Capitool gebouwd. Daarnaast een Memory Parc, dat vol staat met herdenkingsmonumenten ter nagedachtenis aan alle gesneuvelde soldaten in de oorlogen van de VS. De supermarkt is een uur lopen.

 

Goudkoorts
Het verleden van deze stad heeft een enorme invloed gehad op de VS: de Gold Rush. In Colona, een boerendorp nabij Sacramento, werd in 1848 goud ontdekt in de America River bij een zaagmolen, Sutters Mill. Die ontdekking leidde tot de Californische goudkoorts. Dit had onder andere tot gevolg dat de Indianen van hun land werden verdreven: in 1845 leefden er rond de 150.000 Indianen in het gebied; vijfentwintig jaar later waren er minder dan 30.000 over. Dat laatste wordt nergens vermeld. Wel wordt veelvuldig de rijkdom geroemd die het goud heeft gebracht, en de offers die de blanke gouddelvers moesten brengen in hun zoektocht naar geluk. De Amerikaanse historicus H.W. Brands schreef dat door de Gold Rush de oorspronkelijke Amerikaanse Droom – die van de puriteinen die in het nieuwe beloofde land een eenvoudig, maar tevreden en vrij bestaan konden opbouwen door hard te werken – veranderde in een droom van snelle rijkdom en instant geluk.

 

Tegenwoordig ziet Old Sacramento eruit als een filmset. Het is allemaal authentiek, maar zo strak gerestaureerd dat het net een gebalsemd lijk is. Mooi maar dood. De plooien weggestreken. Het bloed stroomt niet meer.

 

Jesus Christ! (of the Latter Day Saints)

Ontbeten in Starbucks met cake, geluncht in Starbucks met cake, en als avondeten een pizzapunt uit de Food Court in het plastic winkelcentrum. Na Pensacola is Salt Lake City de vreemdste stad die ik heb bezocht in de VS. Binnen in de gebouwen voel je de energie van de mensen die er zijn: de bieb, de koffiehuizen, de boekenwinkels; buiten gebeurt er helemaal niets. Ook hier nagenoeg niemand op straat. De straten zijn enorm: ooit zo breed gebouwd zodat er gemakkelijk een wagen kon keren die door vier ossen werd getrokken, wat het extra bevreemdend maakt. Omdat je zo’n lange afstand moet overbruggen bij het oversteken ervan, staan er op de stoepen bakken met oranje vlaggetjes die je bij je kunt dragen zodat je zichtbaar bent voor het tegemoetrazende verkeer. Ik ren als enige wandelaar in de stad vandaag een paar keer met zo’n vlaggetje de weg over. De bibliotheek is een jongerenbolwerk vol kunst en verwachtingen in deze verder oerconservatieve stad, die is gesticht door mormonen. Ik wandel naar het Capitool, en door het ernaast gelegen Memory Parc. Daar voert de Freedom Trail me langs de City Creek de besneeuwde heuvels in. En uiteraard bezoek ik de Temple Square, het middelpunt van de stad en het heiligdom van de Jesus Christ of the Latter Day Saints.

 

 

De krampachtige vriendelijkheid is bijna ondraaglijk en de gedachte om met mijn zware laarzen dwars door de zorgvuldig aangelegde bloembedden te walsen, dringt zich op.

 

 

De braafheid sijpelt door alles heen en doet me nog ontheemder voelen. Glimlachende meisjes staan als Stepford-vrouwtjes in de dop bij de hekken klaar om je op te vangen en vragen of ze je ergens mee kunnen helpen. De krampachtige vriendelijkheid is bijna ondraaglijk en de gedachte om met mijn zware laarzen dwars door de zorgvuldig aangelegde bloembedden te walsen, dringt zich op. Of om me midden op dat plein uit te kleden. Tussen al die brave borsten en de mannen in pak. De gebouwen doen communistisch aan: architectuur wordt gebruikt om angst in te boezemen. Ik bezoek het aangrenzende Museum of Church History and Art. Daar kom je niet onderuit in een stad als deze. De verhalen over de volhardendheid van de mensen die ooit de halve wereld over reisden met hun bezittingen in een kar die ze met de hand door de VS trokken om uiteindelijk in dit beloofde land aan te komen, zijn bewonderenswaardig en bijna onvoorstelbaar. Het drukt die oude Amerikaanse droom uit: de droom een eenvoudig, maar vrij bestaan op te kunnen bouwen door dag na dag, jaar na jaar hard te werken.

Maar ik haak af in de ruimte waar de rol van de vrouw bij de Jesus Christ of the Latter Day Saints wordt uitgelicht. Er lopen keurige vrouwtjes rond in lange jurken met haren in knotten gedraaid die bewonderende kreetjes slaken bij het zien van het tere borduurwerk dat wordt tentoongesteld. Ze kijken op als ik er met mijn spijkerbroek en afgetrapte kistjes naar binnen stap. We kijken elkaar even aan als dieren die in elkaars territorium komen en elkaar gedogen, en ik maak rechtsomkeert, het museum uit, de kou in. Ik ben in één klap klaar hier.

 

De laatste Greyhound-reis

Van Salt Lake City reis ik door naar Denver: dwars door de bergen van Utah en Colorado de Rocky Mountains in. Canyon-landen, rood gesteente met sfinxachtige vingers aan de aarde geklonken, rivieren, bevroren watervallen, besneeuwde bergtoppen in wolkennevels, topjes van naaldbomen die uit de sneeuw steken, dierensporen. Hoog in de lucht cirkelen Amerikaanse arenden. Hier kan ik me voorstellen dat de aarde in een onvoorstelbaar traag tempo gestalte heeft gekregen. Woest en meedogenloos. Zie je wat er overblijft na miljoenen jaren zonder je af te vragen waarom. De schoonheid ervan is reden genoeg.

 

De buschauffeur die me naar Grand Junction rijdt, kan het goed vinden met de passagier op de bank achter hem, en ik – die daar weer achter zit – luister met stijgende verbazing naar hun oorlogszuchtige gesprekken. Oorlog maakt een wezenlijk deel uit van het leven van Amerikanen. Ik ben al veel mensen tegengekomen die in het leger zitten to serve their country zoals ze dat zeggen. De man voor me is oud-marinier. De vanzelfsprekendheid waarmee ze over wapens spreken, shockeert me. Ze hebben er allebei één. Ze spreken over dieren als jachtobjecten, doen Bugs Bunny na, vertellen moppen waar ze erg om moeten lachen en gooien er af en toe een vrouwonvriendelijke opmerking tegenaan. De chauffeur van de bus naar Denver is een stuk prettiger. Hij is een kruising tussen John Denver en David Caruso, rochelt de hele tijd en spreekt druk in zichzelf. Soms doet hij daarbij een passagier na aan wie hij zich ergert. Ik heb me vaak verbeeld dat de chauffeurs blij waren met mijn aanwezigheid in hun bus: niet iemand die schreeuwt, spuugt of haar neus luidruchtig ophaalt. Naar Amerikaanse begrippen voel ik mij vaak een toonbeeld van innerlijke beschaving.

 

Mijn Greyhound Discovery Pass is bijna verlopen en ik besluit in de bus dat dit mijn laatste Greyhound-reis was. Het was ook de mooiste. Maar de rest van mijn reis vervolg ik per trein.

 

Indianen

In het Denver Art Museum krijgt de oorspronkelijke bevolking eindelijk de eer die hen toekomt.
John Wayne, een ware held hier in dit cowboyland, wordt ontmaskerd in een schilderij met één van zijn uitspraken. Hij schijnt ooit gezegd te hebben dat hij het niet erg vond dat het land van de Indianen was afgepakt. Er waren nu eenmaal mensen die het land nodig hadden, en de Indianen waren zo egoïstisch dat ze het voor zichzelf wilden houden.

 

All wounded at Wounded Knee
Er hangt een treurig schilderij over de Trail of Tears, de gedwongen migratie van de Cherokees in 1838. Georgia wilde de Cherokees van haar grondgebied verjagen, die met behulp van de wet probeerden in hun land te blijven. Ze werden in het gelijk gesteld, maar toen de Indian Removal Act werd aangenomen door het Congres, werd het bij wet toegestaan Indianen te deporteren. Door deze wet mochten Indianen zich uiteindelijk alleen nog maar vestigen ten westen van de Mississippi. Zestienduizend Cherokees werden onder militaire escorte van Georgia naar Oklahoma gedwongen. Een kwart van hen kwam om tijdens deze tocht, de Trail of Tears, die een jaar duurde.

 

Een ander schilderij is geïnspireerd op de Guernica van Picasso, maar dan geënt op de verovering van Amerika op de oorspronkelijke bevolking. Halverwege de 19e eeuw leefden er ongeveer 250.000 Indianen in aan hen toegewezen land. Ze werden geplaatst op de slechtste grond, vijandige stammen bij elkaar. Vervolgens werden ze gedwongen zich als individuele boeren te vestigen. Collectief grondbezit werd hen verboden, stamverbanden ontnomen. Als een land grondstoffen bleek te bevatten, werd het ze weer afhandig gemaakt. De Indianen bleven zich echter verzetten. Hun laatste overwinning behaalden ze in 1876 bij Little Big Horn in Montana waar onder leiding van opperhoofd Crazy Horse en medicijnman Sitting Bull een Amerikaans leger in de pan werd gehakt. Maar bij Wounded Knee in South-Dakota werden ze in 1890 voorgoed verslagen. Driehonderd Sioux werden afgeslacht, voornamelijk vrouwen en kinderen. Het was het laatste gevecht tussen de blanken en de Indianen.

 

Thelma en Louise

Mijn vriendin Deborah komt naar Denver en reist twee weken met me mee. We huren een donkergroene jeep en scheuren door Colorado en Utah als Thelma en Louise. Vanuit Denver rijden we via de Garden of the Gods in Colorado Springs naar Durango. De volgende ochtend gaan we door naar Mesa Verde, ruïnes van hoog in de bergen gebouwde oude Indianendorpen die negen eeuwen geleden van de ene op de andere dag om onbekende redenen werden verlaten. Vervolgens belanden we in Niemandsland. Daar zijn we niet op voorbereid: onheilspellend, indrukwekkend en prachtig, maar in de verre vertes geen ziel of dorp te vinden. Het landschap is zo bizar dat we af en toe gewoon in lachen uitbarsten als we uit een vallei rijden en na de bocht weer in een volslagen andere wereld terechtkomen. Door sprookjes, via de maan naar de hel terug in de tijd. Uiteindelijk vinden we in Bluff, Utah, een motel bij een eigenaardige maar sympathieke man. Hij maakt zich over van alles kwaad, maar is erg aardig tegen ons. In het plaatselijke winkeltje worden we op een onderhuids vijandige manier ontvangen. De lelijke, oude vrouw die er uitgeblust aan een tafel zit, werpt achterbakse, stiekeme blikken naar de man die achter de balie staat. Het lijkt alsof ik in een beklemmende road movie ben gestapt, en verwacht ieder moment dat een gewapende gek de deur achter ons dicht gooit om ons te overmeesteren en om onduidelijke redenen onder een truck te binden. Zonder iets te kopen gaan we weer weg. Ik heb het onbestemde gevoel door het oog van de naald te zijn gekropen.

 

We eten in het enige restaurantje dat Bluff rijk is. Vegetarisch eten is niet mogelijk, wijn verkopen ze niet. Alleen vlees en bier in deze western, maar gelukkig hebben ze ook diepvriesgarnalen. Op een paar trailerkampen na is er in de verre omtrek geen levende ziel te bekennen. Wel is er de Mexican Hat, een rots in de vorm van een man met een sombrero. De goden hebben hun gevoel van humor nimmer verloren.

 

Monumenten
We worden wakker met regen. In zware laaghangende wolken vervolgen we onze rondreis naar de Valley of the Gods waar de mensheid is vergaan en rotsen als totempalen waken over het land in de vorm van theelepelvrouwtjes met hoepelrokken, Boeddha’s en verstilde rijen vluchtelingen. Via Goosenecks, een perfecte lus die door een waterslang in het gesteente is geslepen, rijden we naar Monument Valley. Dat wordt tot mijn vreugde beheerd door Navajo’s, hoewel hun poging er een toeristische attractie van te maken ook wel iets tragisch heeft. Het is een treurig aftreksel van wat blanke Amerikanen ermee zouden doen in hun hang overal een pretpark van te maken. Het siert deze Indianen dat het ze niet lukt zich deze oppervlakkigheid eigen te maken, maar ze zouden het niet eens moeten willen.

 

Ergens langs de weg in het besneeuwde Utah rijden we langs Newspaper Rock, een rots vol oude tekeningen van Indianen. Sneeuw hangt als engelenhaar in de bomen. Her en der liggen vreemd gevormde steensculpturen verspreid over de enorme vlakten als vergeten projecten en oude fabrieken. In Moab, Utah, nemen we een dagje pauze van al dat rode gesteente. We huren een hutje bij een hostel, en hangen wat rond in boekenwinkeltjes, internetcafeetjes en koffiehuisjes. Nu zitten we in Monticello. Het sneeuwt. Ik heb een pizza in de magnetron gestopt die, zag ik te laat op de verpakking, alleen geschikt was voor in de oven. Als ik er een punt van pak, krijg ik een elektrisch schokje. Omdat ik honger heb, eet ik hem op en spoel hem weg met druiven.

 

Niagara Falls

In Chicago neem ik afscheid van Deborah. Ik vervolg mijn reis met de trein naar Buffalo, New York. Daar neem ik een lokale bus naar de Niagara Falls. De stad Niagara Falls is een treurige bedoening, die aandoet als een fabrieksstadje. Het hoogtepunt voor de lokale bevolking is het lelijke casino. De meeste passagiers in de bus zijn op weg daarnaartoe. Een dame doft zich op met oogpotlood, rouge en poeder, in oorlogskleuren voor haar dagelijkse strijd. De meeste mensen kennen elkaar en bespreken de winnaar van de avond ervoor. In het stadje aangekomen, haal ik een cappuccino bij de Starbucks. Zelfs die heeft de goedkope armoedigheid die veel gokparadijzen op hun omgeving afstralen. Na mijn koffie wandel ik snel naar de Niagara Falls: ik hoor de rivier al brullen voor ik die zie.

 

Achtergronddecor
Gelukkig kan ik door de door mensen aangebrachte lelijkheid heen kijken, maar toch word ik een beetje somber daardoor ook te zien hoe overweldigend dit natuurschoon ooit moet zijn geweest. Nog geen eeuw geleden broedden er Amerikaanse arenden op de eilandjes die zich hebben gevormd vlak voor de Niagara River naar beneden stort. Nu is er gras aangelegd en rijden er auto’s overheen. Er is een pretpark van gemaakt met de Niagara Falls als achtergronddecor. Ik wandel Goat Island op, een eilandje waar het water met oorverdovend geweld omheen raast. Aan het einde van het eiland stort het de diepte in, en kijk je over de rand van de watervallen naar de overkant waar Canada begint. Het water lijkt rook te worden. Ik loop een rondje om het eiland en raak onder de indruk van het geweld van het water. Tot in de verte is het één kolkende, bruisende, stromende en gewelddadige massa water. Soms lijkt het water tegen elkaar op te stromen, alsof het zich als één uit alle macht verzet om naar beneden te storten. De lucht boven het water trilt alsof die heet is, maar dat kan niet want het water is ijskoud. Aan de voet van de watervallen ligt nog sneeuw, opgehoopt in lagen, gemarmerd als steen.

 

 

Om de Niagara Falls in deze glorie te kunnen behouden, zijn drastische werkzaamheden uitgevoerd.

 

 

Ik ben verbaasd te lezen dat deze watervallen nog maar negenhonderd jaar oud zijn. Aan de andere kant: zoveel geweld kan nooit duizenden jaren duren. Om de Niagara Falls in deze glorie te kunnen behouden, zijn drastische werkzaamheden uitgevoerd. De rivier is er tijdelijk voor omgeleid, zodat de plek waar het water naar beneden stort droog kwam te liggen. Hierdoor konden de randen worden versterkt met metaal om erosie tegen te gaan: een nutteloze poging de natuur naar de hand te zetten. Aan de overkant in Canada wordt het vergezicht verpest door hoge hotelketens, een reuzenrad en een uitkijktoren. Het uitzicht vanaf Canada naar de Verenigde Staten, recht op de hoefijzervormige watervallen, moet spectaculair zijn. Ik heb niet de behoefte de grens over te steken, wat aan de rijen toeristen te zien een gewilde attractie is. Voor mij is het goed zo.

 

De Droom

Ik ben op weg naar New York: het eindpunt van mijn reis. De stad waar in de afgelopen eeuwen zoveel Europeanen opnieuw zijn begonnen, Europa ontvluchtend waar de toekomst van een individu afhing van de familie waarin hij werd geboren. In dit nieuwe land kon hij deze Europese last van zich afschudden, en zijn eigen pad volgen zonder te worden gehinderd door sociale verhoudingen. Een paradijs, een droom: that dream of a land in which life should be better and richer and fuller for every man, with opportunity for each according to his ability or achievement. (James Truslow Adams, The Epic of America)

 

Het huidige Amerika is eigenlijk een reactie op het oude Europa, een uitvinding van Europese migranten. Misschien valt het me daarom zo moeilijk deze maatschappij anders te bekijken dan door mijn Europees gekleurde bril, zie ik in mijn Europese perceptie slechts een kopie van een kopie en gebrek aan diepte en authenticiteit. Het lijkt zo desoriënterend veel op wat ik ken dat ik er als vanzelfsprekend vanuit ga dat het gemakkelijk te doorgronden is.

 

Mediocrity rules the world
De volgende dag heb ik afgesproken met Tim, een oude muzikant die ik in de trein ontmoette. Hij nodigde me uit om samen het Vrijheidsbeeld te zien. Hij staat al te wachten voor het Lincoln Centre, een rijzige bebaarde man in een houthakkershemd met zijn lange grijze haar in een vlecht op zijn rug. We nemen de metro naar Lower Manhattan waar we de gratis veerpont nemen, en varen langs het Vrijheidsbeeld. Op Staten Island trakteer ik hem op koffie en kijken we vanaf een bankje naar de skyline van Manhattan aan de overkant.

 

Ik probeer een verklaring te vinden voor mijn gevoel van gemis in dit land en vraag hem wat hij vindt van de Verenigde Staten. Begrijpt hij wat ik bedoel? Of heeft hij geen flauw idee waar ik het over heb? Volgens hem is dat gemis de verkwanseling van de droom. Was het gelijkheidsprincipe voorheen niet van toepassing op de Afro-Amerikanen en de Indianen, in het huidige Amerika zijn al die passagiers van de Greyhound en de bewoners van de trailerparken de equivalenten van de ‘negers’ en de ‘nobele wilden’ van toen. Dat kan een verklaring zijn vanuit Amerikaans perspectief.
Maar ik ben geen Amerikaan en de Amerikaanse droom is nooit mijn droom geweest. Bovendien vind ik dat gelijkheidsprincipe ook niet alles. Als iedereen gelijk is aan elkaar wordt alles aangepast en afgemeten aan het grote gemiddelde. Misschien is dat wat mij af en toe naar de keel greep: een in alles overheersende oppervlakkigheid. Ik ben er nog steeds niet uit.

 

Hoe dan ook: wat je ook vindt van de Amerikanen: van de zompige Everglades naar het weelderige Georgia, woestijnen met spierwit zand in New Mexico en rood gesteente in Arizona en Utah, bloemenweides in Californië, Bob Ross-achtige taferelen in Yosemite, de prairies na de besneeuwde Rocky Mountains, tot de Niagara Falls op de grens met Canada, het land waarop ze leven is overweldigend mooi.

 

Meer Verenigde Staten
Boekrecensie: Het diepe Zuiden – Paul Theroux…

 

Reis verder…