Gevangenishotel in Mombasa

 

Ik wil een weekje naar Lamu, een Swahili eiland in het noordwesten van Kenia. De bus naar Mokowe, waar ik de boot naar Lamu kan nemen, vertrekt vroeg in de ochtend vanuit Mombasa. Ik wil daarom een hotel in de buurt van het busstation, zodat ik de volgende ochtend niet meer hoef te reizen. Het hotel pal om de hoek heeft alleen maar een kamer voor drie personen, zegt de man achter de receptie. Ik moet dan ook voor drie personen betalen, vult hij aan. Hij ziet in deze mzungu, deze blanke, alleen maar een dikke portemonnee. Ik heb er geen zin in om me nu al te laten oplichten, en loop het hotel weer uit. Wat nu? Het wordt al donker, en buurten nabij busstations zijn nergens ter wereld de leukste plekken. Er komt al een man op me af om te vragen of ik bescherming wil. Tegen betaling uiteraard. Beleefd wimpel ik hem af. Een paar honderd meter verderop zie ik nog een ander hotel. Ik loop er snel naar binnen en voor ik het goed en wel door heb, sta ik in een eetzaal waar zo’n veertig Islamitische mannen me in luidruchtige stilte verdwaasd aankijken. Geen vrouw te bekennen verder. Ik geef de zaal een schuchtere groet, die niet wordt beantwoord. Niet uit onbeleefdheid, maar eerder uit verbijstering.

 

Voor het raam zitten tralies, en de deur heeft het slotje van een Bruijnzeel kast. Ik ben de enige vrouw in het hotel.

 

De man achter de receptie spreekt alleen Kiswahili, maar hij roept er iemand bij die ook Engels spreekt. Ik leg hem uit dat ik een kamer nodig heb voor de nacht. De man neemt me mee de trap op, een hoek om, weer een trap af, nog een hoek om. Overal kijken in het wit geklede mannen me verbaasd na. Door een wirwar van trappen en hoeken komen we uit op een lange gang, waar helemaal aan het einde nog een kamertje vrij is. Voor het raam zitten tralies, en de deur heeft het slotje van een Bruijnzeel kast. Ik ben de enige vrouw in het hotel. Ik voel me bijzonder ongemakkelijk, maar vraag me af hoe terecht dat is. Bovendien heb ik niet zoveel andere mogelijkheden meer. Ik besluit de kamer dus te nemen. Er zitten nog een fles water, een biertje, nootjes en een rol koekjes in mijn rugzak. Het bier en de noten worden mijn avondeten; de koekjes en het water zijn mijn ontbijt morgenochtend. Ik leg voor de zekerheid mijn zakmes uitgeklapt naast het bed, en schuif de tafel voor de deur. De fles water zet ik daarop onder de deurkruk, zodat die niet naar beneden kan worden gedrukt vanaf de andere kant. Langzaam land ik. Door mijn tralies heen zie ik hoe het nacht wordt in Mombasa. De volgende ochtend neem ik in alle vroegte ongeschonden de bus naar Mokowe.

 

Meer Kenia

 

Reis verder…