Noorderlicht boven Reykjavik

Nog nooit was ik in zo’n koude omgeving als ik nu ben. Ik sta op een ijsvlakte niet ver van Reykjavik. Een snijdende poolwind giert eroverheen. Het kleine stukje onbedekte huid op mijn gezicht wordt gegeseld door ijskristalletjes. Ademen doet pijn. Maar ik blijf waar ik ben want de gids zegt dat de kans het grootst is om hier op deze plek het noorderlicht te zien. Samen met een groep toeristen staar ik naar de hemel. Maar na twintig minuten in de vrieskou heb ik alleen maar een gordijn van stuifsneeuw door de lucht zien vliegen.

 

Ik vind dit niks: met een bus vol onbekenden op zoek gaan naar een persoonlijke ervaring. Ik doe dit echt veel liever alleen of – desnoods – in een select gezelschap. Het allerliefst loop ik toevallig tegen wonderen aan. Maar ik ben hier met een goede vriend en hij wilde dit graag. “In Reykjavik is het heel zeldzaam om het noorderlicht te zien,” had de dame in het bezoekerscentrum gezegd. Voor € 40 konden we mee met een Noorderlicht-tour. “We kunnen je niet verzekeren dat je het ziet, maar de kans is heel groot. In deze tijd van het jaar is het bijna altijd raak.” Dezelfde avond nog zitten we in de bus die ons naar deze vlakte bracht.

 

We stappen de bus weer in. Een paar toeristen die de kou niet langer konden verdragen, zit er al en staart verkleumd naar buiten. Spiegelbeelden staren terug naar binnen. De gids doet zijn best er nog wat van te maken. Enthousiast vertelt hij waar het noorderlicht uit bestaat, hoe het ontstaat en dat hij het hier – op deze zelfde plek – gisteren en eergisteren in vol ornaat heeft gezien. Daar hebben wíj wat aan… We rijden nog wat rond, misschien duikt het nog op op een andere donkere, gure plek. Maar na anderhalf uur houdt de gids het voor gezien en keren we terug naar de stad. Ik ben er niet rouwig om. “Als jullie morgen weer mee willen, kan dat voor de helft van de prijs.”

 

“Wat zou dat zijn?” vraagt mijn reisgenoot terwijl hij naar de lucht boven de Hallgrímskirkja wijst.

 

Het was een beetje een suffe avond, maar ik ben in goed gezelschap en we drinken nog een glas. De volgende dag gaan we Reykjavik in. Het standbeeld van Leif Eriksson dat tegenover ons hotel staat, is bedekt met een laagje poedersneeuw dat de wind eroverheen heeft geblazen. Erachter staat de imposante Hallgrímskirkja met zijn 75 meter hoge toren die als een baken boven de stad uitsteekt. We zullen hier in ieder geval niet verdwalen. We wandelen de stad door, die meer aandoet als een dorp dan een hoofdstad. We houden stil bij Tjorn, een meer waaromheen Reykjavik is ontstaan. De kleine zwanen die erop ronddrijven maken het geluid van tientallen trompetjes die zachtjes door elkaar toeteren als een ongecontroleerd orkest. Aan de overkant ligt de begraafplaats van de stad. Op de grafzerken staan de namen van de overledenen gebeiteld, steevast eindigend op -dottír of -son. Broers en zussen hebben hier nooit dezelfde achternaam, bedenk ik me: meisjes zijn de dochters van (dottír) en jongens de zonen (son). Er groeien oude bomen op deze plek, wat bijzonder is want oorspronkelijk komen er in IJsland helemaal geen bomen voor. Veel te koud.
De kou jaagt ons de National Gallery of Iceland in. Aan het einde van de dag eten we in één van de vele opmerkelijk goede restaurants in de stad. (Helaas staat bij de meeste ervan walvisvlees op het menu.) Als we teruglopen naar ons hotel rijdt er een bus toeristen langs die hopen het noorderlicht te vinden vanavond.

 

“Wat zou dat zijn?” vraagt mijn reisgenoot terwijl hij naar de lucht boven de Hallgrímskirkja wijst. Ik volg zijn vinger de donkere lucht in, maar zie niets. Maar een tel later wappert er in mijn ooghoek een roze flard boven de kerk. Ik blijf als aan de grond genageld staan: het noorderlicht! Middenin Reykjavik boven de iconische kerk pal voor ons hotel. We snellen naar het kerkplein en verwachten daar een buslading toeristen te zien. Maar er is niemand. We zijn helemaal alleen samen met het noorderlicht. Aan de voet van de sokkel van Leif Eriksson gaan we liggen en vergeten we de kou terwijl het licht in groene en roze tinten aan de hemel danst. Sterren flonkeren er doorheen. Als het wegsterft in het westen, kondigt zich in het oosten weer een nieuwe sliert aan die als een dun levensgroot weefsel door de lucht golft. Zelden zag ik zoiets moois.

 

Na een uur houdt het op. De voorstelling is afgelopen, de betovering verbroken. Ik voel nu pas hoe de kou van de grond waar ik al die tijd op heb gelegen in mijn lijf is getrokken. Stram en koud staan we op, maar we dansen en springen door het dolle heen terug naar ons hotel. Onder de hete douche neem ik me voor nooit meer op zoek te gaan naar een fenomeen als het noorderlicht. Als het goed is, vindt het mij wel.

 

Meer IJsland

 

Reis verder…