Thracië, Terra Incognita van Griekenland

 

Thracië is misschien wel de minst bekende, minst bezochte regio van Griekenland. Ook ik wist voor mijn reis niet heel veel meer over deze regio dan een aantal globale kenmerken: dat Thracië een arm gebied is met van oudsher veel katoenteelt en tabaksplantages en een bevolking die voor een groot deel uit moslims bestaat. Dat er veel bijzondere natuurgebieden zijn die ernstig worden bedreigd door milieuverontreiniging en dat de poreuze grens al decennialang door veel vluchtelingen wordt gebruikt om Europa te bereiken.

 
Voorafgaand aan mijn reis heb ik geprobeerd zo veel mogelijk te vinden van datgene wat in de Nederlandse, Duitse en Engelse taal over deze regio is verschenen. En dat is helaas niet veel.
Ook blijken veel publicaties niet objectief. Veel van het geschrevene blijkt als het ware besmet door de ingewikkelde politiek-maatschappelijke situatie waarin Thracië zich bevindt. Een situatie waarmee de Griekse overheid al decennialang worstelt. Allereerst is er de gemeleerdheid van de Thracische bevolking. Er wonen hier namelijk niet alleen Grieken, maar ook veel moslims, zigeuners, Pontiërs, Pomakken en Sarakatsani. Thracië is daarmee waarschijnlijk de meest heterogene regio van het hele land. Een lastige kluif voor een regering die de Griekse nationale identiteit hoog in het vaandel heeft staan en het bestaan van minderheden grotendeels ontkent.
Daarnaast leidt het feit dat Thracië wordt begrensd door Bulgarije en Turkije tot Griekse kopzorgen. Zo bestond er lange tijd vanwege de problematische relatie met buurland Turkije en de houding ten opzichte van het (voormalig) communistische Bulgarije een Griekse angst voor irredentistische bewegingen vanuit deze buurlanden. En dat had weer gevolgen voor de houding van de overheid ten opzichte van de bevolkingsgroepen die via taal en/of religie aan Turkije of Bulgarije gerelateerd konden worden. De pogingen tot hellenisering via taal, cultuur en religie, zoals de overheid ze toepaste op de Macedonische minderheid in een ander deel van het land, zijn ook deze minderheden helaas niet bespaard gebleven.

 

Een lastige kluif voor een regering die de Griekse nationale identiteit hoog in het vaandel heeft staan.

 

Deze gecompliceerde situatie heeft invloed op de literatuur die ik op het spoor kwam. In de Koninklijke Bibliotheek vond ik bijvoorbeeld een kleine stapel publicaties van Griekse en internationale wetenschappers over de diversiteit van de huidige Thracische bevolking. De vuistdikke dissertatie van de Noorse filosoof Vemund Aarbakke getiteld The Muslim Minority of Greek Thrace uit het jaar 2000 is heel zorgvuldig. Maar boeken met titels als The drama of the Moslem Turkish Minority in Western Thrace en The ethnic character of Western Thrace according to Greek official testimonies geven iets weer van de controverses over dit thema.
Verder zoekend naar informatie over mijn Terra Incognita, stuitte ik – afgezien van al deze boeken over de bevolkingssamenstelling – ook nog op een aantal boeken over een totaal ander aspect: het antieke Thracië.

 

Het Thracische volk leefde van ongeveer 3500 tot 500 voor Christus. De antieke Thraciërs bewoonden niet alleen de huidige Griekse regio Thracië, maar ook het daaraan grenzende gebied dat nu deeluitmaakt van Bulgarije en Turkije. Lange tijd was er weinig bekend over de Thraciërs, maar met name in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn er veel archeologische opgravingen gedaan en kwamen historici en archeologen meer te weten over dit antieke volk. In de jaren ’80 was er zelfs een tentoonstelling in het Museum Boymans van Beuningen getiteld Het goud der Thraciërs. Helaas voor de Grieken zijn tot nu toe de meest bijzondere opgravingen gedaan op Bulgaars grondgebied, zodat deze buren vaak met de Thracische eer gaan strijken.

 

Vreemd genoeg roept ook deze kaart vraagtekens op.

 

Maar was er meer te vinden over Thracië dan enerzijds de boeken over de bevolkingssamenstelling en anderzijds de werken over de antieke Thraciërs? Bij antiquariaat Frans Melk vond ik het Engelstalige 415 pagina’s dikke boek Thrace. De afzonderlijke hoofdstukken zijn geschreven door Griekse wetenschappers. Zij beschrijven de verschillende historische, taalkundige, geografische en culturele aspecten van Thracië. Maar ook dit boek blijkt niet objectief, met name als het gaat om de teksten waarin de status van de minderheden en het overheidsbeleid op dat gebied worden besproken. Het boek is uitgegeven door het General Secretariat of the Region of East Macedonia-Thrace, door de overheid dus. Het is in feite een soort promotionele uitgave. Nu begrijp ik ook de tekst op de laatste pagina: This publication is not for sale.
Tot slot: een kaart van het gebied had ik al een tijdje in bezit. Vreemd genoeg roept ook deze kaart vraagtekens op. Als ik de kaart volledig uitgeklapt op de grond uitspreid, blijkt 3/4 van het in kaart gebrachte gebied te bestaan uit Turks grondgebied. Terwijl deze kaart is uitgebracht door de Griekse uitgever Road. Opmerkelijk.

 

Een marginale regio
Thracië is de meest noordoostelijk gelegen regio van het land, deels grenzend aan Bulgarije en deels aan Turkije. Het is niet alleen geografisch gezien een marginale regio, ook sociaal-economisch is het een achtergebleven gebied. Er is weinig industrie, de meeste inwoners leven van landbouw en het toerisme staat nog in de kinderschoenen. De Griekse overheid heeft de Thraciërs decennialang aan hun lot overgelaten en weinig moeite gedaan de regio te ondersteunen. Het feit dat de bevolking uit een mengelmoes van Turken, Pomakken, Sarakatsani, Roma en Pontiërs bestaat, schijnt een belangrijke reden te zijn voor het gebrek aan steun.
De laatste jaren begint het toerisme hier langzaam op gang te komen. Af en toe lees ik iets over de bijzondere ecologische stukjes van Thracië: het Dadia-woud, de Nestos-delta en het Rodopi-gebergte. Zelfs de Nederlandse reisorganisatie SNP heeft een natuurreis naar Thracië in het aanbod.
Het enige nieuws uit Thracië gaat meestal over de illegale immigranten die vanuit Turkije hier Europa proberen binnen te komen. Een gebeurtenis die in vele gevallen een dodelijke afloop kent, vanwege de vele mijnen die de Grieken met name rond de grensrivier de Evros hebben geplaatst om ‘aartsvijand’ Turkije buiten de deur te houden.

 

De laatste jaren begint het toerisme hier langzaam op gang te komen.

 

Het duurde lang voordat ik bezocht, hoewel ik al heel lang gefascineerd was door deze regio. Juist de feiten dat Thracië zich aan de uiterste rand van het land bevindt, er vrijwel geen toerist naartoe reist, en een wegenkaart hier relatief weinig lijnen vertoont, waren voor mij redenen dit gebied te willen bezoeken.
Begin jaren ’90 kwam de gedachte om naar Thracië te gaan voor het eerst bij me op. Mijn toenmalige Griekse geliefde zag dat duidelijk niet zitten. Hij was zelf afkomstig uit een klein bergdorp in het Griekse Macedonië en beschouwde Thracië als de meest achtergebleven provincie van het land. Alle Thraciërs die iets in hun mars hadden, waren naar het buitenland of de grote steden Athene en Thessaloniki geëmigreerd. Zij die er nog wel woonden, waren oud, boers en ook nog Turks, was het verhaal. Wat zijn mening zeker kleurde, was het gegeven dat hij zijn militaire dienstplicht in het uiterste oosten van Thracië had verbracht. Twee jaar lang had hij aan de grens van Evros moeten patrouilleren om ervoor te zorgen dat de Turken het land niet zouden binnenvallen. Het enige voordeel van deze voor hem verder volstrekt nutteloze tijd waren de ideëen over kleding, muziek en gedrag die hij had overgenomen van de Amerikaanse NAVO-militairen die ook op deze basis waren gestationeerd. Toen ik hem leerde kennen, vier jaar na het beëindigen van de dienstplicht, droeg hij dan ook Levi’s, stak hij zijn sigaretten aan met een Zippo, reed hij motor en luisterde hij naar the Doors. Maar samen Thracië bezoeken, was ‘nicht im Frage’. Mijn voorstel om met zijn motor naar Istanbul te rijden en onderweg de mooiste plekken van Thracië aan te doen, was helemaal een brug te ver. In die periode was het voor de meeste Grieken volstrekt ondenkbaar als toerist Turkije te bezoeken.
Na het afscheid van deze geliefde, jaren later, bleef Thracië weliswaar op mijn verlanglijstje qua bestemmingen staan, maar werd het gebied iedere keer weer van de eerste plaats verdrongen door een ander interessant Grieks gebied (of ander land).
Maar een paar jaar geleden was het eindelijk zover. Voor mijn boek over Griekse wijnen had ik in de stad Drama in de regio Macedonië een paar wijnhuizen bezocht. Van daaruit besloten mijn reisgenoot en ik door te reizen naar het oosten.

 

Minaretten en lege schoendozen
De stad Drama achter ons latend rijden we via de binnenwegen door een glooiend landschap. Aan de linkerkant rijst het Paranesti-gebergte op, en daarachter de nog hogere Rodopi-bergen die de grens met Bulgarije vormen.
Na een tijdje stuiten we op de Nestos-rivier die in Bulgarije ontspringt. De weg loopt, net als de spoorlijn, een tijdje parallel aan deze rivier en dan bereiken we ook al snel het dorp Stavroupoli. Er is een poging gedaan dit dorp, prachtig gelegen tussen de beboste heuvels, via het toerisme te revitaliseren. Er zijn een paar hotels en bordjes geven aan dat je hier kunt hiken en raften. Maar als ik een koude café frappé drink onder de platanen op het dorpsplein, zie ik welgeteld vier dorpelingen en geen enkele toerist.
We vervolgen de route naar de kleine stad Xanthi, waar we jammer genoeg net te laat zijn voor de zaterdagmarkt op het Zoagoras-plein, waar volgens mijn reisgids de gemengde bevolking van Grieken, Pomakken, Roma en moslims hun inkopen doet. Ik ben alleen getuige van de restanten van deze wekelijkse gebeurtenis: een enorme hoeveelheid afval, met opvallend veel lege schoendozen. Als we weer in de auto stappen, hoor ik het gezang van de muezzin.

 

Als we weer in de auto stappen, hoor ik het gezang van de muezzin.

 

In het begin van de avond rijden we zuidwaarts door een vlakte waar veel katoen en mais wordt verbouwd. Het gebied rond het dorp Avdira is een van de weinige wijnstreken van Thracië. In het antieke Avdira, genoemd naar Avdiros, de zoon van de god Hermes, werden hier al druiven verbouwd en wijn gemaakt. In de Byzantijnse tijd stond het zelfs bekend als een van de beste wijngaarden van het rijk. Tijdens de Ottomaanse periode was er eeuwenlang geen sprake van wijnproductie, en pas een jaar of tien geleden besloot een handvol families een poging te doen de oude faam van de wijnstreek te doen herleven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de familie Vourvoukeli. Zij plantten hun wijnstokken in de jaren ’90 en bottelden hun eerste fles in 2001. Inmiddels bestaat het aanbod uit witte, rode en rosé wijnen, veelal gemaakt van combinaties van inheemse Griekse druiven en buitenlandse soorten. Helaas is er niemand aanwezig bij het Vourvoukeli-wijngoed en rijden we terug naar Xanthi.
De nacht brengen we door in een agriturismo in Mikro Timbanon, een gehucht van drie boerderijen en een moskee met minaret. De eigenaar lijkt onthutst door onze komst. We zijn dan ook de enige gasten in het vele kamers tellende landgoed.

 

De bedrieglijke rust bij het klooster van Aghios Nikolaos
Een Roma-jongen met één been, zittend in een rolstoel, bedelt bij de voorbijgangers op de houten brug. Verderop zit een jong meisje met twee kleine kinderen op de grond, de hand vragend opgestoken. De Griekse boerin die rode pepers verkoopt, wordt zichtbaar nerveus van de scharrelende kinderen en jaagt ze luidruchtig weg bij haar kraam.
Ik sta voor de poort van het Agios Nikolaos-klooster in het Rodopi-district in Thracië. De Roma maken gebruik van het feit dat het klooster druk wordt bezocht door de inwoners van de regio. Vooral vandaag, want het is zondag. Verderop in het dorpje Porto Lagos vindt ook nog de zondagmarkt plaats en veel bezoekers rijden nog een aantal meters verder om een bezoek te brengen aan het klooster. Wellicht dat de dagjesmensen hier in deze rustige en spirituele omgeving over hun hart strijken en een muntstuk in de uitgestoken hand gooien. Dat zal de gedachte zijn.

 

Het klooster ligt prachtig, op een klein eilandje in de Lagos-lagune. De houten brug verbindt de smalle landstrook met het eilandje. Vanuit de kleine wijnstreek Avdira ben ik eerst landinwaarts gereden naar de stad Komotini en van daaruit weer richting zee. Daar ligt een bijzonder natuurgebied. Twee rivieren monden uit in het Vistonida-meer, dat in verbinding staat met de Egeïsche zee. Door de samenvloeiing van het zoete water van het meer en het zoute water van de zee is een uniek ecosysteem ontstaan. De lagune is favoriet bij een groot aantal verschillende trekvogels als reigers, ooievaars, pelikanen en flamingo’s. Sinds een paar jaar is de laguna onderdeel van Natura 2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Dat was hoognodig, want het gebied werd – zoals zovele bijzondere ecosystemen in Griekenland – bedreigd door enorme verontreinigingen afkomstig van onder meer landbouwgif en ongezuiverd rioolwater van de dorpen verder landinwaarts.
Bij het klooster zit een van de abten op een bankje in de zon. Onder loopplanken van de brug zie ik vissen zwemmen en verderop strijkt een groepje pelikanen neer. Griekse vrouwen steken kaarsjes op en vragen de abt voor hun te bidden.

 

De lagune is favoriet bij een groot aantal verschillende trekvogels.

 

Toch zijn deze rustige leefomstandigheden schijn. Een aantal jaren geleden was dit klooster in een schandaal verwikkeld. De leiding van het grotere Vatopedi-klooster op Athos, waar dit kleine klooster deel van uitmaakt, heeft grond van weinig waarde geruild tegen veel duurdere grond. De goedkope grond ligt hier in de buurt van het Vistonida-meer, in de arme regio Thracië. De grondstukken die in het bezit van de abten zijn gekomen, liggen daarentegen in grootstedelijk gebied, bij Thessaloniki en Athene. De andere partij bij deze transacties is de staat. Die zou daarbij voor meer dan honderd miljoen euro het schip in zijn gegaan, maar vanzelfsprekend zijn individuele politici en ambtenaren er wel rijker van geworden.

 

Het Vatopedi-schandaal, zoals deze kwestie wordt genoemd, is niet zonder gevolgen gebleven. Verschillende ministers zijn eind 2008 afgetreden, er heeft een gerechtelijk onderzoek plaatsgevonden en minister-president Karamanlis heeft op een zeker moment zelfs publiekelijk zijn excuses aangeboden voor de rol van de staat in deze kwestie. Die maatregelen zou je nog kunnen zien als window-dressing. Verstrekkender nog is het feit dat dit schandaal een van de belangrijkste oorzaken is geweest voor de vervroegde landelijke verkiezingen, die in oktober 2009 werden gehouden. Verkiezingen, waarbij de Nea Demokratia van Karamanlis verloor en de PASOK onder leiding van Georgios Papandreou won. Vlak daarna werd verduidelijk dat het financieel ernstig gesteld was met Griekenland en brak de crisis uit, die tot op heden duurt.

 

En dat is een vreemde gedachte, bedenk ik, als ik terugloop over de houten brug en de jongen in de rolstoel een euro geef. Dat een onbeduidende, achtergebleven regio zo’n grote rol in de landelijk politiek kan spelen. Tenslotte ben ik hier in misschien wel het meest verarmde deel van Griekenland, meer dan 1000 kilometer verwijderd van de hoofdstad en regeringszetel Athene.

 

Een deel van dit verhaal, in een iets andere vorm, verscheen ook in mijn boek Druiven en Droesem, een reis langs Griekse wijngaarden.

 

Meer Griekenland
Boekrecensie: Kevin Andrews – The Flight of Ikaros
Boekrecensie: Sara Wheeler – An Island Apart
Reisverslag: Ymittos, de groene long van Athene

 

Reis verder…