Insectenregen en spinnenogen

penpunt-pn-bv

 

Mieren overal. Ze zijn er ineens en zijn net zo snel weer verdwenen. Duizenden. Ze steken. Ook de tseetseevlieg geeft venijnige bulten. Als ik op het paadje naar de keuken loop, hoor ik de springspinnen ritselend opzij springen. Er zijn hier vogels die echte liedjes fluiten of een geluid hebben dat klinkt als een woord: priklopiel, marshmarshmellow, of een tv-tune. Jeuk, jeuk. Overal jeuk. Vooral ’s nachts als het warm is en ik zweterig wakker word. Het roffelt op het dak. Regen lijkt wel. Alleen dat kan niet, want vanuit mijn bed zie ik een heldere hemel vol sterren door het raam. Ik snap niet wat het is. Tot ik de deur van mijn hut opendoe en duizenden kevers me tegemoet vliegen. Het regent geen waterdruppels, het regent insecten. Na een halfuur zijn ze allemaal verdwenen en herinneren alleen de tientallen keverlijkjes op mijn klamboe me aan dit bijbelse voorval.

 

Als ik op het paadje naar de keuken loop, hoor ik de springspinnen ritselend opzij springen.

 

Als ik in het donker met mijn hoofdlamp het pad op naar boven loop, weerkaatsen duizenden lichtjes op de bodem. Ik ben een tijdje in de veronderstelling dat het waterdruppels zijn in deze zwaar vochtige omgeving. Als ik ’s nachts over het veld van mijn hutje naar de wc loop, zie ik ze weer. Ik bevoel het gras. Dat is droog. Ik loop door naar de wc’s, in een wijde boog de hoek om omdat daar altijd een enorme spin op de muur zit met grote uitwaaierende poten in een houding die klaar lijkt voor een aanval. Haar ogen glinsteren me tegemoet, en plotseling valt het kwartje. Al die glinsteringen, die duizenden weerkaatsingen van mijn licht, dat zijn geen waterdruppels. Het zijn spinnenogen.

 

Een auto in Congo

Een auto is een groot bezit in Congo, en maar weinig mensen hebben er één. Dat zou je niet zeggen als je in Pointe-Noire bent, waar het een komen en gaan is van hummers van de expats – die bestuurd worden door hun zwarte chauffeur – en blauwgele taxi’s. Een ritje in het centrum kost zo’n 700 CFA, maar als je dat niet weet, vragen ze het dubbele. De wegen buiten Pointe-Noire zijn alleen te berijden met een 4WD: er is amper een infrastructuur in Congo en de onverharde wegen zijn uitgehold door de zwaarbeladen foula’s. Als er een 4WD door de dorpen naar zijn uiteindelijke bestemming rijdt en er een Congolees achter het stuur zit (zonder blanke baas ernaast), dan heeft hij over het algemeen een lange weg te gaan. Elk dorp is op de hoogte van zijn komst, en overal willen de mensen wel meerijden, iets overnemen of meegeven.

 

Ik rijd van Conkouati-Douli terug naar Pointe-Noire met Clauder, en zijn bijrijder Adolf, een naam die ik hier vaker tegenkom en op de één of andere manier nog vreemder aandoet bij een zwarte man dan bij een blanke. Ik zit in het midden. Congolezen willen liever niet dat vrouwen bij de deur zitten. Als er iets gebeurt, dan moet de deur snel worden opengemaakt en om redenen die mij niet duidelijk worden, schijnen ze te denken dat vrouwen dat niet kunnen. In het midden is slechts plek voor één been: het rechter. Het linkerbeen moet worden geplaatst op de versnellingsbak. Door het gehos over de weg dwars door de jungle komt Adolf regelmatig op mijn schoot terecht, waar hij dan snel en beschaamd weer vanaf glijdt. We komen twee tegenliggers tegen, beiden bekenden, waarvan één me een briefje overhandigt van een vriendin uit Pointe-Noire. Dat kan in Congo: onderweg briefjes doorgeven uit steden die 100 kilometer verderop liggen.

 

Ik merk tot mijn schaamte dat ik enorm ongeduldig word als Claudel weer zo aardig is om te stoppen om iemand mee te nemen.

 

In elk dorp wordt gestopt om wat af te geven of in te laden. Meestal is dat eten: brood of maniok. Maar ook een bal, mobiele telefoons, palmwijn – die over de rand gutst waardoor in de hele auto een zware doordringende alcohollucht hangt – en radio’s. Soms wordt Claudel gebeld om nog ergens wat maniok te kopen aan de rand van de weg voor iemand in een volgend dorpje. Af en toe springt iemand in de laadbak om een eind mee te liften, en rijden we een stuk om om de mensen weer af te zetten. Voor mij begint de tijd te dringen. Ik weet niet zeker of er in Pointe-Noire op mijn komst wordt gerekend, en ben bang laat in de avond voor een dichte deur te staan. Ik merk dan ook tot mijn schaamte dat ik enorm ongeduldig word als Claudel weer zo aardig is om te stoppen om iemand mee te nemen. Hij krijgt een telefoontje met de vraag of hij ergens wil langsrijden omdat iemand naar het ziekenhuis moet. Vervolgens zetten we de man af bij een klein hospitaaltje in het bos waar een vrouw net is bevallen van haar zoontje. Die neemt Claudel natuurlijk weer mee om haar naar haar dorpje een eind terug te brengen. Nadat alle spullen zijn afgeleverd en alle lifters afgezet, rijden we weer terug om ergens een bos in te gaan om op de valreep nog wat watermeloenen mee te nemen voor de chimpansees van Tchimpounga, de chimpanseeopvang van het Jane Goodall Institute in Congo. Dwars door velden in het pikkedonker rijdt Claudel af op het geroep van twee vrouwen dat ons leidt naar een berg watermeloenen. Die stoppen we in grote zakken, vijftien in totaal, en leveren we af bij Tchimpounga, nog verder terug.

 

Als we eindelijk definitief richting Pointe-Noire gaan, komen we midden in de jungle een zwaarbeladen taxi tegen met pech. Ik rijd het liefst door met mijn westerse inslag van iedereen-redt-zichzelf of bel-de-wegenwacht of wie-gaat-er-dan-ook-met-een-Peugeot-de jungle-in, maar natuurlijk is Claudel onmiddellijk bereid te helpen. Bij de eerste paar kuilen, waarvan door de plassen niet te zien is hoe diep die zijn, laat het trektouw los waardoor het telkens opnieuw moet worden bevestigd. Na ruim een uur bereiken we de verharde weg en koppelen we de taxi los. Voordat we eindelijk echt naar Pointe-Noire rijden, rent de taxichauffeur naar me toe om me nog even speciaal te bedanken voor de hulp. Want zo zijn de verhoudingen dan weer. Omdat ik als blanke in de auto zit, denken de mensen dat Claudel mijn chauffeur is. En ik hem de opdracht heb gegeven de mensen te helpen. Beschaamd laat ik me naar Pointe-Noire rijden, waar mijn vriendin gewoon thuis is. We hebben er tien uur over gedaan.

 

Meer Congo-Brazzaville
Reisverhaal: Visumperikelen
Reisverhaal: Bewoners van de mangroven…
Achtergrond: Congo-Brazzaville in een notendop…
Achtergrond: Conflict tussen mens en olifant…
Boekrecensie: Congo – Redmond O’Hanlon…

 

Reis verder…