Varen over de Alberni Inlet

 

Het is nog donker als ik de deur achter me sluit. Ochtendnevel zweeft boven de rivier. Een taxi brengt me naar de haven waar ik een plekje heb gereserveerd in de M.V. Frances Barkley, een oude Noorse veerpont die in Port Alberni een tweede leven heeft als vrachtschip. Drie keer per week vaart zij uit om de afgelegen gemeenschappen aan de Alberni Inlet te bevoorraden. Ik vaar vandaag mee tot Bamfield en weer terug.

 

We varen weg bij het eerste ochtendgloren. Het is ijskoud. Zolang de zon nog niet over de bergen is gekomen, blijft er een kille nevel over de flanken hangen. Ik wil niets missen en blijf op het dek. Het enige wat ik kan doen om nog een beetje warm te blijven, is hete koffie halen in de kajuit die buiten in drie minuten lauw wordt. Maar mijn afzien wordt beloond met zicht op oevers begroeid met naaldbomen waar slingers van esdoorns als felgekleurde gele bloemen tussen uitknallen. Af en toe zwemt er een zeeleeuw voorbij. Eén heeft een dikke zalm in zijn bek die hij met grof geweld op het wateroppervlak heen en weer smijt om hem te doden. Ondertussen vliegen meeuwen krijsend boven zijn kop en proberen zijn prooi te stelen. In de verte kleine stipjes op de oever: het schijnen zwarte beren te zijn en ik betreur dat ik geen verrekijker bij me heb. Als de zon boven de bergen uitkomt, schijnt hij spectaculaire stralen tussen de wolkenflarden door. Vlak na het diepste punt van de inham – maar liefst 356 meter – draaien we een verborgen baai in. Hier bevindt zich het gehucht Kildonan. De gebroeders Wallace, die hier in 1910 een visconservenfabriek opzetten, vernoemden deze plek naar hun geboorteplaats in Schotland. Er woont nog steeds een handjevol mensen, stoere mannen en vrouwen met houthakkershemden en staarten in het haar: een paar ervan zit voor het drijvende postkantoor om een zakje post, enkele dozen en wat kratten bier in ontvangst te nemen.

 

Dan zie ik in de verte een fontein uit het water spuiten. Even later nog één. Walvissen!

 

We varen langs oesterkwekerijen weer terug de Alberni Inlet op. Het wordt warmer nu de zon hoger staat en de wolken oplossen. In de toppen van een oeroude ceder hangt het nest van een koppel zeearenden. Het is leeg, maar in het voorjaar komt het paar hier weer zijn jongen grootbrengen, vertelt een bemanningslid. Een groepje otters zwemt langszij. Dan zie ik in de verte een fontein uit het water spuiten. Even later nog één. Walvissen! De boot houdt stil. Zelfs de kapitein is enthousiast. “De laatste keer dat ik hier zo diep landinwaarts walvissen zag, is twee jaar geleden,” zegt hij. Het zijn er vier: twee moeders met hun kalfjes. Hun grijze ruggen krommen boven het wateroppervlak, de kalfjes ernaast, synchroon met hun moeders. Langzaam neemt de boot meer vaart. Ik blijf ze nakijken op het achterdek totdat hun fonteinen uit mijn zicht verdwijnen.

 

In Bamfield is er tijd even aan wal te gaan. Dit is zo’n typisch dorpje dat je alleen in deze contreien kunt tegenkomen. Alle huizen zijn door de bewoners zelf gebouwd en die hebben dat naar eigen smaak en goeddunken gedaan. Hier geen schoonheidscommissies waarmee rekening hoeft te worden gehouden, geen normen waaraan een gebouw hoeft te voldoen. Huizen van drijfhout, uitgebouwde caravans, gestapelde verdiepingen met ramen en deurtjes op vreemde plekken en alles in de kleuren die de bewoners zelf het mooiste vonden. Een pad vol dollarcenten loopt naar een werkplaats; een pad vol sleutels naar het huis ernaast. Een paadje naar boven leidt me naar een prachtig uitzicht over een paar kleine eilandjes met in de verte de Broken Group Islands. Daar ergens moet Ucluelet liggen met haar Wild Pacific Trail, mijn volgende bestemming.

 

Ik moet weer terug naar het haventje want de M.V. Frances Barkley gaat aan haar terugvaart beginnen. Het is inmiddels warm geworden. Twee medepassagiers nodigen me uit een door hen meegenomen fles Canadese wijn op te drinken. Het zijn twee oude vrienden. Ze komen oorspronkelijk uit Vancouver en besloten in de jaren zeventig samen naar Vancouver Island te verkassen om zich te vestigen als biologische boeren. Eén van hen, David, wijst aan waar stukken woud gekapt zijn. “Daar bij die lange strook gele esdoorns is de oorspronkelijke begroeiing gekapt,” vertelt hij. Op de kale grond komen als eerste de esdoornzaadjes op die daar door vogels worden achtergelaten. “Lang zullen ze het niet volhouden, of – wat is lang. Niet voor bomenbegrippen. Ze sterven uiteindelijk af en dienen als humus voor de naaldbomen die hier vroeg of laat weer zullen terugkomen.” De gele en rode strepen in het verder groene landschap beginnen me meer en meer op te vallen na zijn verhaal. Eigenlijk is er behoorlijk gekapt hier, zie ik nu. “Dit is nog niets,” zegt David. “Als je hier met een helikopter overheen vliegt, zal je zien dat alle bossen achter deze bergen compleet zijn weggekapt. Er staat geen boom meer overeind. Alleen het bos op deze wanden staat er nog. Als kaalkap zichtbaar wordt, dan worden de mensen boos. Zolang we het niet zien, kunnen we net doen alsof er niets aan de hand is.” Ik kijk hem verbluft aan, enigszins uit het veld geslagen door zijn verhaal. Hij schenkt me nog een glas wijn in. Laten we er dan nog maar eentje nemen op dit mooie eiland…

 

Dit is een verhaal uit Dondervogel – dwars over Vancouver Island, het derde boek in de Dwars-door-reeks van Uitgeverij Passionate Nomads. 

 

Meer Vancouver Island…