De navel van de wereld

 

Het bekendste icoon van Australië is waarschijnlijk wel Uluru, de grootste monoliet ter wereld in het hart van de Australische outback. Speciaal voor toeristen is op twintig kilometer afstand van Uluru Yulara gebouwd, een resort dat bezoekers van alle gemakken voorziet. In de verte rijst Uluru op uit de rode aarde. Overdag kun je het national park in en de omgeving verkennen. ’s Nachts is het verboden terrein voor de bezoekers van Yulara. In mijn zoektocht zo dicht mogelijk bij Uluru te overnachten, kom ik de conservation volunteers tegen. Deze vrijwilligersorganisatie begeleidt verschillende projecten ten behoeve van natuurbescherming over de hele wereld. Het project bij Uluru bestaat uit het verwijderen van buffelgras in het gebied. Deze grassoort is in de jaren vijftig vanuit Noord-Amerika naar Australië gebracht om de effecten van de vernietigende zandstormen op de nieuwe dorpjes in te perken. Dit diepwortelende gras houdt meer zand vast, waardoor de schade van die stormen werd beperkt. Het gras tiert echter te welig en overwoekert veel van de oorspronkelijke flora. Dit heeft inmiddels zulke ernstige vormen aangenomen dat grote delen van Centraal en West-Australië overwoekerd worden met dit gras met alle nadelige gevolgen voor de endemische planten van dien. De enige manier om het gestaag oprukkende buffelgras te stoppen, is het met wortel en al uit te roeien. Met zware pikhouwelen wordt de droge harde woestijngrond doorgeploegd tot onderaan de wortel om de hele plant uit de grond te rukken.

 

Elke ochtend om zes uur beginnen we te ploegen tot een uur of twee ’s middags. Daarna wordt het te heet om door te werken. ’s Nachts slaap ik aan de voet van Uluru in een canvas zak, die me bescherming moet bieden tegen de slangen en de schorpioenen, waar ik met mijn slaapzak en een kruik in lig en naar de onbekende sterrenhemel kijk. Onze plek wordt met een hek gescheiden van de Aboriginal gemeenschap verderop. Ik heb deze mensen overdag ontmoet. Ze zijn in de rouw. Twee jonge pubers zijn vorige week overleden door het snuiven van benzine.

 

Ondanks dat de Aboriginals vriendelijk vragen respect op te brengen voor hun heilige plek en Uluru niet te beklimmen, zie je elke dag een rij toeristen langs een touw naar boven lopen.

 

Ik heb de hele ochtend buffelgras staan verwijderen in de brandende zon. Het is te heet geworden om door te werken. Vanmorgen ontmoette ik Albert, een Anangu Aboriginal ranger die werkt voor het national park, en woont in de nabijgelegen Aboriginal gemeenschap. Hij vindt het wel wat: die blanke vrijwilligers die het onkruid komen verwijderen dat hun voorouders hier hebben verspreid. Hij neemt me mee op sleeptouw en vertelt ondertussen over de ontstaansgeschiedenis van Uluru, één van de meest heilige plekken van Australië. Het land is in 1986 aan de Aboriginals teruggegeven. In het overdrachtsdocument is echter opgenomen dat er toeristen moeten worden toegelaten in het gebied. En niet alleen ín het gebied: ook óp Uluru. Dagelijks beklimmen tientallen toeristen de heilige berg. Dat kun je vergelijken met lopen over de Klaagmuur, wijzen met je voetzolen naar Boeddha of walsen over het altaar in een kerk. Ondanks dat de Aboriginals vriendelijk vragen respect op te brengen voor hun heilige plek en Uluru niet te beklimmen, zie je elke dag een rij toeristen langs een touw naar boven lopen. ‘Minga’ noemen de Aboriginals deze mensen, mieren.

 

Hemelhelden
Albert vertelt me dat op de plaats waar Uluru nu staat voorheen een diep, groot meer lag waar de Regenboogslang woonde. Verder was het een plat uitgestrekt land waar twee groepen Hemelhelden leefden: het Malavolk en het Kuniavolk. Op een dag kwam klokvogel Panpanplana langs om de beide volkeren uit te nodigen voor de initiatie van de jongens van het Windulkavolk, dat ver weg bij de Petermann Ranges leefde. Het Kuniavolk nam de uitnodiging aan, maar het Malavolk had het te druk met zijn eigen initiatieceremoniën en toonde weinig interesse. Het Kuniavolk ging op weg naar de Petermann Ranges, en sloeg de eerste nacht de tenten op bij het grote meer. Daar werden de Kuniamannen verleid door een paar hagedismeisjes. Ze gingen zo in deze meisjes op dat ze de uitnodiging van het Windulkavolk helemaal vergaten. Die waren ondertussen al een tijd aan het wachten op hun Mala- en Kuniavrienden, en stuurde de klokvogel er weer op uit om te kijken waar ze bleven. Panpanplana zei de Mala en de Kunia dat hun vrienden op hen wachtten, maar zij gaven echter aan met andere zaken bezig te zijn.
Dit beledigde de Windulka diep. Ze zonnen op wraak en schiepen Kulpunya, de kwaadaardige dingo. Ze maakten een skelet van takken, twijgen en vrouwenhaar, met aan de ene kant de tanden van een walibi en aan de andere kant de staart van een buideldas. Daarna zongen ze de hele dag liederen om de kwade geest te wekken. Bij zonsondergang lieten ze Kulpunya achter om te groeien in het donker. De dag erna had hij enorme tanden en gigantische poten, en ging hij op weg. Hij doodde honderden Mala. De weinige overlevenden vluchtten naar het zuidwesten. Niemand heeft ooit nog iets van ze vernomen.

 

Toen ze hem vond hakte ze zijn neus eraf. Die ligt daar nu nog ergens op de grond in de vorm van een grote steen.

 

Om de Kunia te straffen voor hun gebrek aan vriendschap vroegen de Windulka het Liruvolk de Kunia te vernietigen. De Liru werden aangevoerd door Kulikitjeri, en vochten hevig met de Kunia, met Ungata als aanvoerder. Het gevecht was verschrikkelijk. Tijdens de gevechten baarde Bulari Minma, een Kuniavrouw, een kind. Albert wijst me een grot, ooit de baarmoeder van Bulari Minma. De steen die ervoor op de grond ligt, was haar kind. Kulikitjeri en Ungata troffen elkaar, en de wonden die zij elkaar aanbrachten zijn nog steeds te zien op de wanden van een kloof. Kulikitjeri werd verwond aan zijn hoofd, maar trof Ungata dodelijk. Uluru bestond nog niet, maar Albert vertelt me dat op de plek waar nu drie gaten bovenop Uluru zitten Ungata is doodgebloed. Het regenwater dat uit deze gaten naar beneden stroomt symboliseert zijn bloed. De dood van hun aanvoerder raakte de Kunia diep, en ze trokken zich terug. Maar Ingridi, de moeder van Ungata, werd gek van verdriet en wilde gerechtigheid. Ze spuugde arukwita op haar graafstok, waardoor die een onoverwinnelijke kracht kreeg, en ging op zoek naar Kulikitjeri om haar zoon te wreken. Toen ze hem vond hakte ze zijn neus eraf. Die ligt daar nu nog ergens op de grond in de vorm van een grote steen. Onderaan de rotswand nabij zijn neus zijn nog witte arukwitavlekken te zien. Ingridi tekende met rode oker symbolen van rouw op haar lichaam. Die kun je zien boven de arukwitavlekken. Kulikitjeri stierf uiteindelijk aan zijn verwondingen.
De Kunia waren zo diep getroffen door de dood van Ungata dat ze zich uiteindelijk dood hebben gezongen. Ook de Liru waren ontdaan door het verlies van hun aanvoerder. Ze brandden het kamp van de hagedisvrouwen plat. Die waren tenslotte de oorzaak van alle ellende. Al deze drama’s bij elkaar deden de aarde op haar grondvesten trillen. Daardoor rees uit de as van het kampement van de hagedisvrouwen Uluru, de navel van de wereld.

 

Wanneer Albert en ik aan het einde van de middag naar het Aboriginaldorp teruglopen, zien we een groepje toeristen de berg beklimmen. Als je ze van een afstand bekijkt, lijkt de rij onverschilligen inderdaad op een colonne mieren.

 

Meer Australië
Reis-/achtergrondverhaal: Aboriginals
Reisverhaal: Birds

 

Reis verder…