Terug naar Aken.

 

 

Mensen die zijn opgegroeid in een gebied van Nederland dat grenst aan een ander land, hebben vaak een andere houding tegenover grenzen. Zo vertelde de Nederlandse schrijver Tommy Wieringa in een interview in de Volkskrant in december 2017 dat hij opgroeide in het oosten van het land. Hij was de kleinzoon van een douanier die bij Lobith de scheepvaart op de Rijn bewaakte. Zijn moeder was als reactie daarop zeer tegen grenzen. Grenzen beschouwde ze als een achterlijk en beperkend verschijnsel. De schrijver vertelde dat ook hij dat altijd zo heeft gevoeld.

 

Ook ik groeide op aan zo’n rafelrand van Nederland – in Noord-Limburg  – en had een zelfde beleving met grenzen. Grenzen waren er weliswaar, maar die werden als het ware genegeerd. Zowel Duitsland als België lagen op een steenworp afstand. Duitsers kwamen in mijn stad winkelen en zaten er in de zomer op de terrassen, wij maakten met het gezin fietstochtjes naar België en Duitsland, in de winter fietste ik met vrienden naar de schaatsbaan vlak over de Duitse grens en in mijn pubertijd ging ik vaak naar een Duitse discotheek. Ook om te winkelen waren België en Duitsland aantrekkelijk. De grote steden Brussel, Keulen, Düsseldorf en Aken lagen allemaal op ongeveer een uur rijden van ons huis. Met name in mijn puberjaren, toen mode een belangrijk aspect werd in het leven van mijn zusje en mij, gingen we daar vaak een dagje winkelen. De mode in die grote steden lag in die tijd ver voor op de kleding die in onze kleine Limburgse stad te koop werd aangeboden. Ook in mijn studententijd in Maastricht bezocht ik de Duitse en Belgische steden regelmatig. Niet meer voor de mode, maar nu waren het vooral de musea die ik daar afstruinde. Bijzondere tentoonstellingen in Keulen, Brussel, Luik of Aken lagen dichterbij dan de musea in steden als Amsterdam of Rotterdam. 

 

Ik herinnerde me een chique stad met flanerende mensen, mooie winkels en veel terrassen.

 

De afgelopen 15 jaar woonde ik in de Randstad en raakten deze Duitse en Belgische steden voor mij enigszins buiten beeld. Tot ik een paar weken geleden besloot Aken weer eens te bezoeken. Ik herinnerde me van de jaren ’80 en ’90 vooral een chique stad, met flanerende mensen, mooie winkels en veel terrassen. Ook de reisschrijver Bill Bryson, die Aken in dezelfde periode bezocht en beschreef in zijn boek Neither here, nor there. Travels in Europe, kreeg diezelfde indruk. Hij schreef op hilarische toon: “Everyone was dressed in clothes that looked as if they had been purchased that morning. Even the children’s sneakers weren’t scuffed. Every car had a showroom shine on it. Even the taxi were all Mercedes. It looked like Beverly Hills”.

 

Verwachtingsvol reisde ik af naar de stad. Er was ook nu weer een tentoonstelling die ik graag wilde zien. In Aken vindt je namelijk het Ludwig Forum für Internationale Kunst. Dit is een museum waar een groot deel van de collectie van het echtpaar Peter en Irene Ludwig is opgesteld. Zij verzamelden in hun leven vooral veel Amerikaanse pop-art kunst van schilders als Andy Warhol, Jackson Pollock, Robert Rauschenberg e.d. Nu was er een tentoonstelling met de titel  Flashes of the Future. Die Kunst der 68er Oder Die Macht der Ohnmächtigen. Het museum huist in een prachtige oude fabriek uit 1928, in Bauhaus-stijl, waar ooit paraplu’s werden gefabriceerd. Weliswaar in een onooglijk stuk van de stad, een half uur lopen van het centrum. De tentoonstelling had betrekking op het revolutiejaar 1968, was internationaal georiënteerd maar gaf ook een mooi inkijkje in de politieke en kunstzinnige activiteiten in de jaren ’60 van deze stad en haar universiteit.
Na het bezoek aan de tentoonstelling slenterende ik door het centrum. Aken heeft een rijk verleden. Het was ooit een van de belangrijkste steden van Europa. De Romeinen hebben Aken min of meer opgericht, destijds als kuuroord vanwege de aanwezigheid van warme heilzame bronnen. 800 jaar later, toen Karel de Grote – vanaf 768 koning van het Frankische rijk en vanaf 800 keizer van het West-Romeinse rijk – hier was om zijn reuma te laten behandelen, besloot hij van Aken zijn hoofdstad te maken. Bijzonder, deze kleine stad, in de periferie van Duitsland, was ooit de belangrijkste stad van een enorm rijk. Ook na zijn dood in 814 bleef Aken overigens een belangrijke plek innemen in het Romeinse rijk. Van 936-1531 werden hier zelfs alle Romeinse keizers gekroond.

 

Er is weinig te zien van de rijkdom en allure, ik zie vooral armoede en verpaupering.

 

Ik bewonder die middag de Aachener Dom, niet eens zo’n heel grote kerk maar aan de binnenkant inmponerend rijk versierd, duidelijk geïnspireerd door de kerken in het Oostelijk deel van het Romeinse rijk met kleurrijke mozaïeken. Ook bezoek ik het prachtige gotische Rathaus uit 1350. Binnen, bij de trappen, hangen alle portretten van de winnaars van de zgn. Karlspreis. Deze prijs wordt sinds 1950 uitgereikt aan iemand die zich uitzonderlijk verdienstelijk heeft gemaakt voor de Europese eenheid. Grote namen als Jean Monnet, Winston Churchill, Robert Schumann, Joseph Luns, Henry Kissinger, Vaclav Havel, Tony Blair en Bill Clinton zijn hier in deze ere-galerij terecht gekomen.
Maar daarna heb ik het al snel gezien in Aken. Helaas moet ik na een middagje slenteren concluderen dat deze stad mij niet enthousiast maakt. Er is – behalve de prachtige gebouwen die ik bezocht – weinig terug te zien van de vroegere rijkdom en allure. Ik zie vooral armoede en verpaupering en tegelijkertijd zie ik ook weinig van een gezellige en inspirerende studentencultuur.

 

Hoe zit dat nu eigenlijk? Hoe zou dat komen? Die avond lees ik dat Aken de eerste stad was die bij het einde van de Tweede Wereldoorlog viel aan de geallieerden. Dat was in 1944, en na het 7 dagen durende gevecht stond er hier vrijwel niets meer overeind. De halve stad lag in puin. In de jaren daarna werd Aken een industriestad, te midden van een steenkoolgebied (de Limburgse Oostelijke mijnstreek is hier vlakbij). Men produceerde vooral textiel, naalden, beeldbuizen, transformators en ja, paraplu’s. Tegenwoordig wonen hier zo’n 250.000 mensen, waarvan een groot deel (40.000) student aan de RWTH (Rheinisch-Westfälische Technische Hochschule). Sinds een aantal jaren is er een overstap gemaakt van mijn- en staalindustrie naar de innovatieve sector, met name op het gebied van ICT (Microsoft, Ericsson) medische producten en auto’s (Ford).
Heel veel helderheid geeft me dat nog niet. Misschien waren mijn verwachtingen simpelweg te hoog. En ja, reizen bestaat niet alleen maar uit een aaneenschakeling van prachtige plekken zien, geweldige mensen ontmoeten en fantastische ervaringen opdoen. Bij vrijwel alle reizen die wij maken, zijn er tegenvallers op het gebied van weersomstandigheden, landschapsschoon of kwaliteit van eten. Ik besluit Aken het voordeel van de twijfel te geven, misschien is één middag te kort en moet ik verder graven en beter kijken.

 

Reis verder…