Het geluid van vallende sneeuw – Jannie Regnerus

Herinnering aan Japan

 

 

Japanners geloven dat alles een ziel heeft. Dat geldt voor mensen, dieren, bomen, maar ook voor brillen en fotocamera’s. Als voorwerpen worden afgedankt, wordt er eerst ritueel afscheid van genomen. De voorwerpen worden bedankt voor het gebruik en men wenst dat ze niet meer als dolende geesten in de wereld rondspoken. Japanners gaan er ook vanuit dat uiteindelijk alles vergankelijk is. En dat is voor hen niet iets verdrietig, integendeel. Ze koesteren en genieten van de schoonheid van de vergankelijkheid, ze denken met weemoed over datgene wat niet meer is. Dat besef noemt men ‘Aware’.

 

Jannie Regnerus (1971) is een Nederlandse beeldend kunstenares, afkomstig van het kleine Friese dorp Oudebildtzijl. Geboren en getogen in een wereld van groene weilanden, koeien en paarden, de dijk en de zee daarachter. Van de cultuur en mystiek van Japan weet ze weinig als ze begint met het maken van kunst. Desondanks krijgt ze in de loop der jaren vaak te horen dat haar werk zo ‘Japans’ is. Dat gebeurt al op de kunstacademie in Maastricht, waar ze op haar 18e gaat studeren, en ook in latere jaren aan het postacademisch kunstinstituut de Rijksacademie.  Daar vertelt de Japanse mede-studente Etsuko Jannie ook dat haar werk ‘Aware’ bevat. Volgens Etsuko moet de Friezin in haar vorig leven beslist een Japanse zijn geweest.

 

Langzaam wordt Jannie nieuwsgierig naar het land waar ze zo vaak mee wordt geassocieerd. Wat is dat Japanse dan precies? Dat wil ze graag weten. In 1998 – Jannie woont dan met haar vriend voor een tijdje in Mongolië – besluit ze Japan maar eens te gaan bezoeken. Ze vliegt naar Osaka, neemt daar de trein naar Kyoto, en in haar verlangen meer van Japan te zien, maakt ze vanuit die stad ook een paar uitstapjes naar het platteland. Terug in Nederland, in 1999, concludeert ze dat zo’n kort bezoek niet voldoende is geweest, en besluit ze tot een aanvraag voor een beurs van het Nederlands Fonds voor Beeldende Kunsten voor een verblijf in een gastatelier in Japan. En die aanvraag wordt ook gehonoreerd; Jannie mag een jaar in Japan gaan wonen en werken, in Kitakyushu, een miljoenenstad in het zuiden van het land.
Niet veel later landt ze in Tokyo, en gaat ze opnieuw met de trein naar Kyoto, waar ze eerst wordt herenigd met Etsuko, haar vriendin en oud-studiegenoot van de Rijksacademie die is teruggekeerd naar haar geboorteland. Etsuko vertelt haar nu meer over het begrip Aware. Ervaringen kunnen een gevoel van Aware veroorzaken, legt de Japanse kunstenares haar uit: “voor mij persoonlijk is dat het luisteren naar het geluid van vallende sneeuw, bij voorkeur de allereerste sneeuwvlokken van het jaar”. “Klinkt het alsof je twee donzen veertjes tegen elkaar slaat?” vraagt Jannie, en dat beaamt Etsuko.

 

Na een paar dagen gezelligheid reist ze alleen verder naar de stad Kitakyushu, 1200 km van Tokyo. Haar nieuwe woning is een gemeubileerde studio van acht meter bij twee-en-een-halve meter in een groot zwart flatgebouw, die ze haar ‘Batman-flat’ gaat noemen. In het gastatelier, het Centre for Contemporary Art, werken behalve vier Japanse kunstenaars ook een Chileen, een Poolse, de Newyorker Steve, Gabrielle uit London en Scott uit Canada. 

 

Contact met Japanners is er amper, en ook de vriendschappen met de andere kunstenaars blijven oppervlakkig.

 

Al vrij snel blijkt dat het wonen en werken in Kitakyushu niet eenvoudig is. De buitenlandse kunstenaars kunnen moeilijk aarden. Contact met Japanners is er amper, en ook de vriendschappen met de andere kunstenaars blijven oppervlakkig. Jannie besluit er het beste van te maken. Ze begint iedere ochtend met een beklimming van de Sakura of Bloesemberg. Overdag zit ze vaak in de bibliotheek, waar ze boeken bekijkt en inspiratie probeert op te doen, ook omdat het met haar kunst in het begin niet zo lijkt te vlotten.

 

Dan lijkt er zicht op verbetering: het instituut organiseert ieder jaar groepstentoonstellingen. Ook Jannie bedenkt een nieuw project en presenteert tijdens de tentoonstelling haar werk. Het evenement is ieder jaar slecht bezocht en ook nu zijn er welgeteld vier mensen te gast. Maar een van hen is de galeriehouder Hideki, die gecharmeerd is van Jannie’s werk en haar diezelfde dag nog uitnodigt voor een solotentoonstelling in Tokyo. Twee weken later liggen de beloofde gratis tickets al in haar brievenbus en een paar dagen later vertrekt Jannie opgetogen naar Tokyo. Ze wordt tijdelijk ondergebracht in een prachtig appartement, selecteert samen met Hideki in de dagen daarna een aantal van haar foto’s die op groot formaat zullen worden geprint, en er wordt een datum geprikt voor de tentoonstelling. 
De opgetogenheid is van korte duur als bij terugkomst in de Batman-flat blijkt dat de eerste kunstenaar is geknakt. De Chileense Carlos vertrekt vroegtijdig naar huis. Hij blijkt niet opgewassen tegen de steriele Japanse omgeving. Het kloosterleven valt de achtergebleven kunstenaars daarna nog zwaarder.

 

Bij terugkeer naar Tokyo, voor de opening van de tentoonstelling, blijkt ook dat avontuur niet mee te zitten. Vlak voor de opening ontdekt Jannie dat de foto’s op glanzend papier zijn gedrukt, terwijl ze de galeriehouder met klem had gevraagd om mát vernis. Desondanks worden een paar foto’s verkocht. Als Hideki haar daarna vraagt of ze twee weken op het platteland wil doorbrengen, tijdend het begin van de lente, grijpt Jannie dat met beide handen aan. Hoopvol gaat ze vanuit Tokyo op pad, een bevriende familie zal haar op haar vakantieadres afzetten.

 

De onenigheid wordt uiteindelijk gesmoord in een met drank overgoten karaoke-avond. 

 

Het pension ligt boven op een berg, en de sneeuw ligt er metershoog. Afgezien van de pensionhouders – die geen Engels spreken – is er niemand, er is geen internet en het is er steenkoud. De eenzaamheid en vervreemding die Jannie in Kitakyushu voelt, lijkt hier boven op deze koude berg nog groter te zijn. Na een dag besluit Jannie voor zichzelf te kiezen, en te vertrekken, terug naar Tokyo. Dat wordt haar niet in dank afgenomen. Bij terugkomst in de galerie blijkt Hideki boos en teleurgesteld. Hij geeft aan dat hij haar bewust naar die plek had laten gaan, omdat hij haar eenzaamheid wilde laten ervaren. Dat is vast goed voor de kunst. Maar Jannie heeft genoeg eenzaamheid te verduren gehad en bijt van zich af. De onenigheid wordt uiteindelijk gesmoord in een met drank overgoten karaoke-avond. 

 

Na een jaar verblijf in een land waar de modernste technologie overal zichtbaar is, en waar het bestaan tegelijkertijd doordrenkt is van goden, geesten en magische rituelen, begrijpt de kunstenares Japan nog altijd niet echt. Ze heeft haar best gedaan het land te leren kennen, is steeds dieper afgedaald in het wezen van de Japanner, maar de bevreemding blijft tot op zekere hoogte in stand. Een bezoek aan de magische warmwaterbronnen, haar ontmoetingen met Etsuko, het bezoek bij de boerenfamilie waar ze gaat helpen de rijst te oogsten, dat zijn de weinige hoogtepunten van haar verblijf.

 

Vlak voor haar vertrek maakt ze haar laatste geld op in een prentenantiquariaat. De prachtige beschrijving van datgene wat ze daar aantreft, is kenmerkend voor haar schrijfstijl: “In geen kunstwerk heb ik het zo overtuigend zien waaien als op deze prent van Hitoshige, waar een abrupte windvlaag het gebladerte van de bomen optilt, waardoor de witte nerven aan de onderkant zichtbaar worden. mannen grijpen tevergeefs naar een afgewaaide strohoed. Hiroshige weet zelfs ochtendnevel en avondmist een verschillend karakter te geven. Ochtendnevel ligt in zware strepen, met afgeronde hoeken op de bodem van het landschap. Avondnevel is opgetekend in ijle horizontale strepen en zweeft slank boven de rijstvelden.” Gelukzalig verlaat ze – getooid met twee prenten – de winkel.

 

‘Het geluid van vallende sneeuw. Herinnering aan Japan’ werd bekroond met de VPRO Bob den Uyl Prijs 2007 voor het beste literaire reisboek van het jaar.

 

Het geluid van vallende sneeuw – Jannie Regnerus
Eerste druk 2007
ISBN 978 90467 05766

 

Meer reisboeken…