De paleizen van Ranavanola

Geplaatst in: Madagaskar | 0
Ambohimanga, met op de voorgrond het paleis van Ranavanola I

Door Beer Visser.

Dichterbij Ranavanola I, de beruchte koningin die van 1828 tot 1861 over Madagaskar heerste, kan ik niet zijn. Ik sta voor haar graftombe in Ambohimanga, de voormalige hoofdstad van de Merina, de grootste bevolkingsgroep van het land. In de geschiedenisboeken wordt ze als kwaadaardige despoot weggezet. Maar ik heb een zwak voor haar. Ranavanola I wilde in de eerste plaats de Malagassische cultuur in ere houden. Ze moest daarbij weinig hebben van Europese inmenging in haar land. En geef haar eens ongelijk.

 

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ze gruwelijke praktijken op haar geweten heeft. Zo voerde ze het tangena-oordeel weer in, een primitieve methode om iemand schuldig te bevinden (waarbij ook de onschuldigen er bekaaid vanaf kwamen), moesten mensen dwangarbeid verrichten als vorm van belasting en liet ze christenen die het geloof de rug niet wilden toekeren rücksichtslos van een klif gooien. Maar de laatste jaren wordt er wat afgedongen op het eenzijdige beeld dat we van haar hebben. Westerse geschiedschrijvers hebben de neiging de gewelddaden van andere culturen te benadrukken zodat ze als excuus kunnen dienen voor de eigen koloniale gruweldaden. Ranavanola I was een sterke, intelligente vrouw met een visie die niet met zich liet sollen, dronk graag rum en hield er een schare aan minnaars en echtgenoten op na. Door haar aantreden als koningin kregen vrouwen in het land meer aanzien. “Je moet naar Madagaskar gaan! Daar leiden vrouwen pas een vrij en ongebonden leven,” schreef één van mijn reisheldinnen, Ida Pfeiffer, in haar reisverslag Reise nach Madagaskar. Zij werd overigens door Ranavanola I gedwongen om lopend dwars door de jungle het land te verlaten.

 

Iedereen die Antananarivo bezoekt, kan niet om het paleis van Ranavanola heen. Het staat op één van de twaalf heuvels waaromheen de stad is gebouwd. Ambohimanga is gebouwd op de hoogste heuvel en is voor veel mensen een heilige plaats. Het is de bakermat van het moderne Madagaskar en werd in 2001 uitgeroepen tot Werelderfgoed van Unesco vanwege de symbolische waarde die het heeft voor de culturele identiteit van de Malagassiërs. Ik bezoek deze plek in mijn laatste weekend in Madagaskar. Om in de Rova te komen, het koninklijk complex, loop ik door één van de twaalf poorten die ten tijde van Ranavanola en haar voorgangers werd afgesloten met een enorme platte stenen schijf. Er waren veertig slaven voor nodig om deze schijf elke avond voor de poort te rollen. Als ik de trappen naar de Rova oploop, komt er een ommuurde koninklijke enclave tussen de bomen tevoorschijn. De muren zijn opgetrokken uit cement gemaakt van zand, schelpen en de schalen van 16 miljoen kippeneieren. Binnen de muren staan twee paleizen: het paleis van koning Andrianampoinimerina (1745 – 1810) en het zomerpaleis van zijn nicht, pleeg- én schoondochter Ranavanola I dat de fransman Jean Laborde (één van haar vermeende minnaars) voor haar bouwde in 1870. Het paleis van de koning is sober, bijna een veredelde hut. Maar ik moet mijn respect tonen als ik naar binnenga door met mijn rechtervoet de eerste stap te zetten, achterstevoren het gebouw weer te verlaten, en niet met gestrekte vinger naar de koninklijke objecten te wijzen. Het paleis van Ranavanola doet bijna Japans aan, met sierlijke balustrades en veel ramen die uitkijken over het hoogplateau. Achter de paleizen ligt een groot bad waar de koning één keer per jaar met zijn twaalf vrouwen en enkele hoge gasten een uitgebreid bad nam. Als ik verder loop, stuit ik op een aantal graftombes. In de laatste op rij, een witte, ligt het stoffelijk overschot van Ranavanola I.

 

Een voordeel van een heilige plek is dat het bos er niet wordt gekapt. Rondom Ambohimanga staan boomsoorten die elders op het plateau niet meer te vinden zijn. Ik stel me voor wat Ranavanola zag vanuit de vertrekken in haar zomerpaleis. In ieder geval was er nog een oerwoud tot zover het oog kon zien. Hier en daar natuurlijk enkele rijstvelden en weggetjes die als een rood lint door het landschap slingerden. Lemuren sprongen door de bomen, fossa’s struinden door de wouden. Het stampen van de rijst als achtergrondgeluid. En misschien hoorde ze hier de indri’s nog zingen…

 

Ik loop naar het zuiden vanwaar de overige elf heuvels te zien zijn. In de verte prijkt op één ervan haar andere paleis. ’s Avonds heb ik daar opnieuw uitzicht op, nu een stuk dichterbij vanaf het dakterras van mijn hotel. Het staat glorieus tegen de achtergrond van de ondergaande zon, met een paar honderd meter verderop wat lager gelegen het presidentieel paleis. Kerken, zendmasten, die typische hoge smalle huizen met één verdieping en een balkon wisselen zich af met houten hutjes en golfijzeren krotten. Tussendoor een wirwar aan trapjes, steegjes, vuilnisbelten en open riolen. Honden blaffen, taxi’s toeteren, af en toe krijgt iemand zin muziek op het maximumvolume te zetten. Ik drink een Malagassisch wijntje op mijn terugkeer naar Nederland. Na drie maanden heb ik het gevoel dat ik dit land en zijn inwoners nog maar net een heel klein beetje begin te doorgronden.