Avonturen in Mayombe

 

Chinafrika

Elke keer als ik in Congo aankom, is er van alles veranderd. Stapte ik voorheen zo uit het vliegtuig op de Afrikaanse bodem, inmiddels loop ik door een airconditioned slurf. Moest ik eerst mijn koffers zoeken in een op elkaar gegooide berg bagage, tegenwoordig vind ik ze op een bagageband in de hal waar reclame wordt gemaakt op billboards. Congo wordt groot. Ook in Pointe-Noire is er, sinds ik hier twee jaar geleden voor het eerst aankwam, ontzettend veel veranderd. Toen stond er nog een rij oerbomen op de Boulevard Charles de Gaulle. Die zijn tijdens dat eerste verblijf met veel geweld tegen de vlakte gegaan om plaats te maken voor een bouwput waaruit elke keer een hogere betonnen constructie verrijst. Er zijn ineens stoplichten, zandpaden bestraat, gebouwen verdwenen en meer verdiepingen op de panden in aanbouw bijgekomen. Lantaarnpalen staan niet meer alleen in de buurten waar expats wonen.
Vorig jaar werd het eerste deel van de weg tussen Pointe-Noire en Brazzaville opgeleverd. Die loopt van Pointe-Noire naar Dolisie dwars door het woud van Mayombe. Zonder enige consideratie voor de natuur en de dieren die in dit gebied leven, wordt er gestaag een honderden meters brede strook asfalt als een tsunami over het oerwoud uitgestort. Karrenvrachten vol tropisch hardhout worden dagelijks naar de haven van Pointe-Noire afgevoerd en verscheept naar China. De dorpjes die langs de weg liggen, moeten er nog aan wennen. Sommige zijn door de weg in tweeën gesneden. Naast de weg ligt aan beide zijden een diepe geul om het regenwater in banen te leiden dat hier in het regenwoud natuurlijk met bakken naar beneden kan komen. De geulen zijn zo breed dat alleen een langbenig en fit persoon met een flinke sprong op de weg kan komen, om over te steken en aan de andere kant weer een sprong te maken om zijn buurman te bezoeken. De laatste keer dat ik er was, waren er hier en daar wat geïmproviseerde loopplanken neergelegd. Het aantal ongelukken neemt in rap tempo toe. In een poging die terug te dringen zijn er zebrapaden aangelegd. Niet dat deze mensen ooit een zebrapad hadden gezien. Hoe hadden ze dat ook gekund in dit gebied waar tot voor drie jaar geleden slechts af en toe een 4WD zich een weg door de jungle baande? Nu rijden er gemiddeld 4.000 auto’s per dag over deze weg.
Toch zijn de meeste mensen blij met de weg. Waar ze voorheen dagen over deden, is nu in een paar uur gedaan. Dat is in noodsituaties natuurlijk een enorme winst. En ook voor de handel is het niet verkeerd. Zoals in de meeste ontwikkelingslanden leven de mensen hier voornamelijk van hun eigen kleine handeltjes.

 

In delen van Congo staan uitsluitend borden in het Chinees, en langs de wegen in aanbouw zijn Chinese restaurantjes en een Chinese tempel neergezet.

 

Congo maakt een gigantische spurt. De economische crisis die de westerse gemoederen bezighoudt, bestaat hier niet. Eigenlijk telt Europa ook helemaal niet meer zo mee. Frankrijk is nog steeds de grootste investeerder in Congo. De Fransen willen grip houden op de olievelden van het land. Maar het is nog maar een kwestie van tijd voordat China hier de meeste invloed krijgt. China is de grootste economische partner van Afrika. Sinds 2009 heeft de China Development Bank 16 miljard dollar gepompt in dertig Afrikaanse landen. Toen Brazzaville op 4 maart 2012 getroffen werd door een exploderend munitiedepot, heeft China 1 miljard dollar beschikbaar gesteld voor de wederopbouw van het gebied. Afgelopen maart woonde de Chinese president Xi Jinping de top van de BRICS-landen bij in Durban, waarna hij nog twee andere landen in Afrika bezocht: Tanzania in het oosten en Congo-Brazzaville in centraal Afrika. Een weloverwogen keuze. De Congolese grond zit vol met natuurlijke rijkdommen die de hele wereld steeds meer nodig heeft. Iedere keer als ik ergens in Afrika het vliegtuig naar Pointe-Noire neem, weet ik bij welke gate ik moet zijn zonder op de borden te kijken. Waar de meeste Chinezen zitten, daar moet ik zijn. Dat zijn de arbeiders die China laat invliegen om het oerwoud te ruimen, de wegen aan te leggen, en de grond te exploiteren. In delen van Congo staan uitsluitend borden in het Chinees, en langs de wegen in aanbouw zijn Chinese restaurantjes en een Chinese tempel neergezet. De Congolese arbeiders die voor het werk worden ingezet, ontvangen minder dan de helft van het minimumloon van 60.000 CFA (€ 90). Ook met hún rechten wordt het niet zo nauw genomen.

 

De komende week bezoek ik de vierde editie van het Forum International Green Business dat wordt georganiseerd door de Kamer van Koophandel van Pointe-Noire. Ik ben er als communicatieadviseur voor het Mayombe Transboundary Initiative én als ondernemer met plannen voor een ecotoeristisch bedrijf in dit mooie land. Ik wil daar onder andere deelnemen aan de workshop “ecotourisme”. Eén van de vragen die daar wordt behandeld is: “Quels infrastructures et modèles de développement pour l’industrie touristique?” Ik houd mijn hart vast…

 

Afrikaanse tijd

Een van de dingen waar ik toch echt aan zal moeten wennen als ik zaken wil doen in Afrika, is dat de mensen er anders omgaan met de tijd. Tijd speelt hier een andere rol dan bij ons. Dat is voor iemand als ik – die altijd op tijd komt en er een enorme hekel aan heeft als anderen te laat komen – niet gemakkelijk. Zelfs als ik weet dat het onzin is, kan ik het niet laten om op de afgesproken tijd aan te komen. Met als consequentie dat ik hier veel aan het wachten ben. Om vervolgens ineens in de waan van het moment te worden meegesleept en een programma af te werken waar helemaal geen systeem in zit. Mensen gaan hier niet efficiënt van A via B en C naar D, maar gaan van D weer terug naar A, dan naar C en weer naar D omdat het plan om onduidelijke redenen ineens is veranderd, enzovoorts. Niemand kan beweren dat de mensen hier niet hard werken: integendeel. Ik heb alleen nog niet kunnen ontdekken wat de logica achter de algemene manier van werken is. Ik dacht dat het met het Forum International Green Business wel anders zou zijn.

 

Drie jaar geleden werd dit forum voor het eerst georganiseerd omdat ook hier de mensen zich bewust worden van de aanwezigheid én de uitputting van de natuurlijke grondstoffen in centraal Afrika, en de gevolgen van de klimaatverandering. Acht landen doen mee: Congo, Tsjaad, Kameroen, Equatoriaal Guinea, de Centraal Afrikaanse Republiek, Congo-Kinshasa, Gabon, Angola en Burundi. Het thema dit jaar was Groene Economie: een motor voor de diversificatie van de centraal Afrikaanse economieën. Drie dagen lang tien workshops, vijf plenaire sessies, best practices en netwerketentjes. Althans: volgens het programmaboekje. Al gauw bleek dat het hele programma zonder dat dit ergens was aangekondigd compleet was omgegooid. Zelfs de gastsprekers wisten dat niet. Zo kwam mijn gezelschap er op de opening op dinsdag toevallig achter dat de workshop waaraan hij donderdagmiddag aan zou bijdragen ineens was verplaatst naar woensdagmorgen. Achter de schermen werd daar vervolgens druk over onderhandeld: workshops werden uitgewisseld, sprekers en sessies toegevoegd. Enkele workshops kregen er ineens drie sprekers bij, terwijl er van tevoren geen limiet aan de spreektijd werd meegegeven. Het gevolg was verrassend: van langdradige presentaties waarbij lappen tekst vanaf een Powerpointpresentatie monotoon werden opgelezen tot levendige debatten. Want Afrikanen hebben geen schroom om vragen te stellen. Ze staan in de rij om de microfoon te krijgen en nemen er de tijd voor een waslijst aan vragen af te vuren.

 

Met haar lange stille stranden, savannes, regenwouden, een unieke flora en fauna, een rijke culturele geschiedenis, en de vriendelijke Congolese bevolking is het land een verborgen juweel.

 

Ik nam onder andere deel aan de workshop “ecotourisme”, waar ik er weer eens met mijn neus op werd gedrukt hoezeer dit hier nog in de kinderschoenen staat. Met haar lange stille stranden, savannes, regenwouden, een unieke flora en fauna, een rijke culturele geschiedenis, en de vriendelijke Congolese bevolking is het land een verborgen juweel. Meer en meer mensen bezoeken Congo, maar van echt toerisme is nog geen sprake. Het heeft echter een enorm potentieel. Het afgelopen jaar heb ik een uitgebreid onderzoek gedaan naar de toeristische mogelijkheden in het land. Toerisme biedt hier veel perspectieven, maar kan ook een enorme bedreiging zijn voor de kwetsbare wouden van centraal Afrika en de mensen die er leven. Met Adventures of Mayombe wil ik een ecotoeristische organisatie opzetten in Pointe-Noire: een kleinschalig guesthouse en een visitors centre, en samen met de lokale bevolking workshops, excursies en uiteindelijk safari’s organiseren in het westen van Congo. Het doel is alternatieven te creëren voor de jacht en illegale houtkap zodat het woud behouden blijft. Tijdens de workshop realiseerde ik me – niet voor het eerst – hoeveel werk er moet worden verzet om zo’n bedrijf van de grond te krijgen. En vooral hoeveel tijd dat gaat kosten. Want hoewel de mensen het met de tijd niet zo nauw nemen, verwachten ze bij dit soort ondernemingen wel dat er binnen een korte tijd veel geld kan worden verdiend. Als het te lang duurt, geloven ze er niet meer in.

 

Natuurlijk liep het allemaal ongelofelijk uit: een vertraging van vijf uur op de laatste dag die een uur later begon dan in de planning stond. Om de ministers en de andere hoogwaardigheidsbekleders die bij de afsluiting van het forum aanwezig waren niet te laten wachten – want dat kan dan weer niet – werd er ter plekke een plenaire sessie geschrapt zodat de ceremonie nog enigszins op tijd kon plaatsvinden. Ik ging na drie uitputtende dagen met een tas vol visitekaartjes terug naar mijn hotel. De komende dagen heb ik een aantal afspraken staan en kan ik oefenen in de Afrikaanse tijdperceptie.

 

Adventures of Mayombe

Hoe begin je als Nederlander zonder geld en enig aanzien een bedrijf in Congo? Hoe zit de wet- en regelgeving in elkaar in dit mooie maar corrupte land? Waar vind ik de informatie die ik nodig heb? Ik dacht in eerste instantie aan het Nederlandse consulaat in Brazzaville, maar daar schoot ik weinig op. Op mijn mailtjes is nauwelijks gereageerd en in de enige reactie die ik kreeg, werd niet ingegaan op mijn vragen. Waar worden die mensen daar eigenlijk voor betaald? Op mijn to-do-lijst staan drie hoofdzaken: het vinden van een zakenpartner, het vinden van samenwerkingspartners, en het rond krijgen van de financiering van mijn plannen, waarbij ik grotendeels inzet op de medewerking van de stad Pointe-Noire en het aanwezige bedrijfsleven. Mijn zakenpartner ligt voor de hand: Agostinho, de uitvoerend secretaris van het Mayombe Transboundary Initiative waar ik bij betrokken ben, is slim, zeer betrokken bij natuurbehoud en mensenrechten in centraal Afrika, en kent veel mensen die belangrijk kunnen zijn voor Adventures of Mayombe. Bovendien vertrouw ik hem, en kunnen we het goed vinden met elkaar. Ook het vinden van samenwerkingspartners zal niet zo moeilijk zijn. Op het Green Business Forum werd al snel duidelijk dat er veel Congolese organisaties staan te popelen om toeristische producten te ontwikkelen in hun regio.

 

De meest prangende vraag voor mij op dit moment is welke vorm mijn bedrijf moet krijgen. Wat is wijsheid? Een Nederlands bedrijf? Een Congolees bedrijf? Hoe zorg ik ervoor dat mijn rechten zijn gewaarborgd? Gelukkig is er in Pointe-Noire een Kamer van Koophandel met behulpzame medewerkers. Maar hoewel ik me steeds beter kan redden in het Frans, is dit soort informatie niet eenvoudig voor me. Bovendien zijn de Congolezen dol op afkortingen dus moet ik mijn weg vinden in FJEC, TPE, PME, RCCM, APNI en nog veel meer.
Agostinho neemt me mee naar zijn notaris. Die adviseert ons een SARL op te zetten: een Sociéte à la Responsabilitée Limitée, het Congolese equivalent voor een BV. Hij geeft me een hoop leesvoer mee die ik moet doorworstelen om mijn volgende stappen te kunnen zetten.

 

Het hutje staat pal tussen twee andere hutjes, en delen we bovendien met een dikke rat.

 

Maar voordat ik dat doe, trek ik een paar dagen de rimboe in met Kendou. We gaan naar het woud van Mayombe, waar mijn idee voor Adventures of Mayombe twee jaar geleden ontstond. We brengen een bezoek aan Max en Grand John in Doumanga. Toen we hier voor het eerst aankwamen, was de weg van Pointe-Noire naar Dolisie nog niet voltooid. Hij lag als een kronkelige strook asfalt op een kaalgeslagen strip oerwoud. Het werd donker en we moesten ergens de nacht doorbrengen. Max, de dokter van Doumanga, gaf ons toestemming te bivakkeren naast de EHBO-post. De volgende ochtend bleken we in het hart van een uitgestrekt dorpje te staan. De bewoners keken vreemd op van een zwarte man en een blanke vrouw, een mundele, die samen een slaapplaats deelden en baadden in de rivier, maar lieten ons beleefd onze gang gaan. Alleen een paar kinderen huilden bij het aanzien van een witte vrouw. De tweede keer dat we het dorp aandeden, ontmoetten we Grand John, de chef de village, in het lokale café. Hij bleek een oude dorpsgenoot van Kendou; ze groeiden op in hetzelfde dorp aan de rand van Mayombe. We mochten er weer ons kampje opslaan. Nu we hier voor de derde keer aankomen, is het alsof we al worden verwacht. Grand John staat aan de rand van de steeds drukker wordende weg, en begroet ons alsof hij ons gisteren nog zag. Hij dirigeert ons direct naar een hutje midden in de nganda, het dorp. Daar maakt hij een bed voor ons klaar en laat twee plastic stoelen halen die voor het hutje worden gezet. Even later komt hij ons twee biertjes brengen. Eigenlijk slaap ik liever in onze auto aan de rand van het woud met wat meer privacy. Het hutje staat pal tussen twee andere hutjes, en delen we bovendien met een dikke rat. De kippen gaan op stok op de veranda naast ons, en er hangt een vage maar doordringende kippenstrontlucht. Maar we kunnen deze ongeëvenaarde Afrikaanse gastvrijheid natuurlijk niet weigeren. ’s Ochtends staat er een emmer water voor de deur die speciaal voor ons is gehaald. De dorpbewoners komen ons enthousiast begroeten. De kinderen pakken verlegen mijn witte handen en bekijken de blauwe aderen en mijn lange nagels met verwondering. We delen wat brood en sinaasappels, en vertrekken naar de rivier voor een bad. Onderweg worden we begroet door een jager. Hij wijst ons met de loop van zijn antieke geweer de weg naar het beste plekje bij de rivier. Even later hoor ik twee luide knallen. Ik vraag me af wat hij heeft gedood. Een aapje? Een schubdier? Chimpansee? We vervolgen onze tocht naar de rivier. De jager had gelijk: het is een prachtige plek om te baden. Aan de oever aan de overkant drummen kinderen op het water om indruk op ons te maken.

 

Een zak met geld

Hoe nu verder? Genoeg potentieel hier voor toerisme, genoeg creatieve Congolezen die in de startblokken staan en dolgraag willen meewerken aan mijn project, NGO’s die graag toeristen ontvangen maar er simpelweg geen tijd voor hebben om producten te ontwikkelen omdat ze andere prioriteiten hebben, en een uitgewerkt plan. Het enige wat me ontbreekt, is geld. En daar heb ik veel van nodig om dit bedrijf op te zetten want Pointe-Noire is duur. Duurder dan de meeste Europese steden. De duurste steden ter wereld liggen in Afrika, met Libreville in Gabon aan top en de Angolese hoofdstad Luanda als goede tweede. De olie die hier aan de kust van Pointe-Noire wordt gewonnen, brengt expats uit Europa die allemaal een huis en een 4WD nodig hebben, en hetzelfde willen eten als thuis. Je kunt hier alles krijgen wat je hebben wilt, het is alleen schreeuwend duur. Het verschil tussen Afrikaanse eettentjes en Europese equivalenten is ronduit belachelijk. In Afrikaanse restaurantjes kunnen Kendou en ik voor minder dan 4.000 CFA twee geroosterde vissen eten met gebakken banaan of maniok, én twee Congolese biertjes krijgen van een halve liter. Terwijl we in een Europese bar twee kleine flesjes Heineken drinken voor 6.000 CFA. Dat is twee dagen salaris voor de gemiddelde Congolees.

 

Ik zie Adventures of Mayombe voor me ergens in het centrum van de stad. Een visitors centre aan de rand van de stad of ergens midden in een Afrikaanse wijk is geen optie. Maar hoe kom ik aan een pand voor een redelijke prijs in het centrum van Pointe-Noire? Ik hoop op de medewerking van de gemeente. Immers: een visitors centre is ook voor hen interessant. Er komen genoeg toeristen naar deze stad, en ook de expats die komen en gaan zijn geïnteresseerd in wat de stad en haar omgeving allemaal te bieden heeft. Bovendien wil de regering de komende jaren gaan inzetten op toerisme. Mijn toekomstige zakenpartner zit sinds het Green Business Forum in Luanda voor het Mayombe TPA project. Als hij terug is, wil ik samen met hem een presentatie geven aan de burgemeester en andere bestuurders van de stad in de hoop op hun medewerking. Ik zie veel leegstand in de stad en met het hergebruik van leegstaande panden in Nederland in mijn achterhoofd zie ik daar een mogelijkheid. Tijdens het forum merkte ik hoe dol Afrikanen zijn op Powerpoint-presentaties, dus ik heb alvast een presentatie in elkaar gedraaid zodat Agostinho en ik goed beslagen ten ijs kunnen komen.

 

Het contrast tussen het enthousiasme van de bevolking en de desinteresse van de mensen met macht is groot.

 

Ter verdere voorbereiding breng ik ook een bezoek aan de directeur van toerisme, een onderdeel van de prefectuur van Pointe-Noire. Ik vertel hem dat ik een onderzoek heb gedaan naar toerisme in Congo – dat overigens waarschijnlijk het eerste is ooit – en dat ik samen met een Afrikaan een bedrijf wil opzetten in deze regio. Ik vraag hem of hij geïnteresseerd is in mijn onderzoek, of hij mensen kent die hier wellicht interesse in zouden hebben en of we misschien iets voor elkaar kunnen betekenen. Onze ontmoeting is nogal ontluisterend want kort samengevat: het interesseert hem helemaal niets. Hij is beleefd, zegt dat alle investeerders van harte welkom zijn in de stad, geeft me zijn visitekaartje, en houdt de deur voor me open zodat ik snel weer buiten sta.

 

Ik moet er rekening mee houden dat het de burgemeester en zijn vrienden ook geen ene moer kan schelen. Het contrast tussen het enthousiasme van de bevolking en de desinteresse van de mensen met macht is groot. Maar één ding hebben ze gemeen: ze denken allemaal dat ik met een zak geld naar Congo ben gekomen. De bevolking realiseert zich niet dat Adventures of Mayombe nog niet bestaat, en dat het niet alleen hen maar ook mij wat moet opleveren. De bestuurders zien in mij alleen een potentiële investeerder. Ondertussen is er al een maand voorbij. Nog twee maanden te gaan. Ik vraag me af of dat genoeg is.

 

Symptomen

Ik kan gerust zeggen dat mijn hele plan compleet is stil gevallen. Mijn toekomstige zakenpartner is nog steeds in Luanda, waar ook het Mayombe TPA-project door veel bureaucratische rompslomp enorme vertraging oploopt. Oorspronkelijk is de hoofdzetel van het project in Pointe-Noire gevestigd, maar omdat Angola veel meer geld bijdraagt aan de totstandkoming dan de andere landen, wil dat land dat de basis naar Luanda verhuist. Daar wordt nu al maanden over onderhandeld. Waarom zo lang is me niet helemaal duidelijk. Maar het houdt de gemoederen bezig met van alles, behalve waar het om zou moeten gaan namelijk het beschermen van het kwetsbare Mayombe-woud. Het houdt Agostinho in elk geval ook bezig, terwijl ik zo langzamerhand toch echt eens met hem om de tafel moet om onze strategie verder te bespreken. Het begint me te irriteren.

 

Na twee dagen ga ik met een helse pijn achter mijn ogen en een gespikkelde uitslag over mijn hele lichaam voor de tweede keer voor een onderzoek naar een ziekenhuis.

 

Dan word ik ziek. Het eerste waar ik aan denk tussen de koortsaanvallen door is natuurlijk malaria. Een test wijst uit dat dit niet het geval is. Ik denk aan een gewone griep, en blijf in bed waar ik word geplaagd door doemdenken. Mijn plan voelt aan als veel te ambitieus. Het Mayombe-woud behouden? Elke dag rijden er vrachtwagens vol met tropisch hardhout Mayombe uit naar de haven van Pointe-Noire. Verbeteren van de leefomstandigheden van de lokale bevolking? De weg die de Chinezen hebben aangelegd, is voor hen de ultieme verbetering. Hun handel ligt niet meer weg te rotten, en als er iets is, dan zijn ze zo in de grote stad. Dat een weg vaak het begin van het einde is, is voor hen niet relevant. Klimaatverandering tegengaan? Broeikaseffect? Het zal ze een worst zijn. Hoezo geen bomen omhakken? Dat hebben ze altijd al gedaan, en trouwens: dat deden de Europeanen ook veelvuldig voordat de Chinezen kwamen. En waarom geen jacht? Wat moeten ze dan eten? Waarom moeten ze de olifanten ontzien die hun akkertjes komen kaalvreten? Maman, j’ai faim. Donne-moi une morceau de La Vache qui rit.
Na twee dagen ga ik met een helse pijn achter mijn ogen en een gespikkelde uitslag over mijn hele lichaam voor de tweede keer voor een onderzoek naar een ziekenhuis. Ik word er geholpen door een Congolese arts die beweert dat de oogpijn wordt veroorzaakt door mijn dagelijkse werk achter de computer, en de uitslag een allergische reactie is. Op de koorts gaat hij helemaal niet in. Een kwartiertje googelen levert me waardevoller informatie op: alledrie de symptomen passen bij chicungunya en de beschrijving van het verloop van de ziekte klopt exact met waar ik doorheen ga. Tot mijn verbazing heeft niemand hier van chicungunya gehoord. Alles met koorts wordt hier gediagnosticeerd als malaria. De mensen krijgen vaak zelfs medicatie tegen malaria voorgeschreven zonder getest te worden.

 

Agostinho mailt me en vraagt hoe het gaat met onze business. Denkt hij nou echt dat ik hier bergen aan het verzetten ben? Alle energie stroomt weg. Ik ga maar weer slapen. Ecotoerisme? Goed idee mundele: kun je daar morgen mee beginnen? Waarom niet én jagen én ecotoerisme? Of nog beter: jagen sámen met de toeristen? Mag hier, hoor! Heb je geld? Mijn God: als een arts hier al geen verbanden tussen de symptomen legt, waarom zou een gemiddelde Congolese dorpsbewoner dat dan wel doen?

 

Ondertussen

Omdat ik meer ijzers in het vuur wil hebben dan alleen Agostinho als zakenpartner, ga ik ook met anderen in gesprek. Ik praat met iedereen die dat wil: ik probeer zo open mogelijk te staan voor elk idee dat zich aandient. Als ik iets heb geleerd van mijn eerdere verblijven in Afrika, is het dat alles hier altijd totaal anders uitpakt dan ik had kunnen bedenken. Zo spreek ik af met Antoinette die ik in de Zweedse missie heb ontmoet, waar ik al ruim een maand verblijf. Ze nodigt me uit haar percelen te bekijken in Diosso, een dorp ten noorden van Pointe-Noire. Vorig jaar heeft ze een stuk grond gekocht op steenworp afstand van de gorge Diosso, de Grand Canyon van Congo, en het Musée Maloango, het enige museum in het westen van Congo. Ze wil hier ‘faire quelque chose avec tourisme’, maar weet alleen nog niet wat. Terwijl we langs het indrukwekkende ravijn lopen, stelt ze voor contact te houden. Tegen de achtergrond ligt de Atlantische Oceaan te schitteren in de zon. Volgens de dorpsjongens die ons vergezellen, zijn er verderop gorilla’s gesignaleerd. We kopen vier kokosnoten van ze die ze behendig voor ons open tikken. Misschien moet ik me niet alleen maar focussen op het centrum van Pointe-Noire.

 

De volgende dag heb ik een afspraak met Placide, die ik op het Forum Green Business heb ontmoet. Hij heeft een plan en wil me graag spreken om te horen wat ik ervan vind. Hij wil alle kleinere apen confisqueren die in Congo in gevangenschap worden gehouden. Die wil hij onderbrengen in een groot natuurgebied ten zuiden van Pointe-Noire, waar hij toeristenbungalows wil bouwen. Dat biedt voordelen voor aap en mens, beweert hij. De apen krijgen hun vrijheid terug, de toeristen kunnen aapjes kijken. Mijn praktische bezwaren wuift hij laatdunkend weg. Hoe hij die apen in beslag wil nemen? Gewoon: pakken. En denkt hij niet dat ook kleine apensoorten gevaarlijk kunnen zijn voor mensen? Deze aapjes in het bijzonder: ze zijn mensen gewend en bovendien niet altijd even vriendelijk door ze behandeld. Dangereux? Hij kijkt me aan alsof ik het over lieveheersbeestjes heb. Hij is trouwens ook wel geïnteresseerd in mijn communicatieachtergrond, zegt hij. Of ik anders een marketingtak binnen zijn bedrijf wil opzetten. Ik vraag hem wat dat mij gaat opleveren. Zoals de meeste mensen die ik hier ontmoet, heeft hij allemaal wilde plannen met me waar ík verder weinig profijt van heb. Ik word dan de directrice marketing, is zijn antwoord. Hij somt alle grote internationals op die hier in Pointe-Noire zijn neergestreken en onze toekomstige klanten worden: Total, Eni, Heineken…

 

Het is niet gemakkelijk om uit te leggen aan de mensen hier waar ik voor wil staan.

 

Dit is een zinloze exercitie. Bovendien gaat het me niet om het grote geld dat hij voor ogen heeft. Het gaat me er vooral om een bijdrage te leveren aan het in stand houden van de overweldigende natuur in dit prachtige land. Het is wel belangrijk om dat uitgangspunt goed voor ogen te houden. Het is niet gemakkelijk om uit te leggen aan de mensen hier waar ik voor wil staan. Het is zelfs niet eenvoudig voor mezelf: ik krijg het gevoel dat de tijd begint te dringen en kom in de verleiding me te laten verblinden omdat ik nu eenmaal mijn hart heb verpand aan Congo en hier zo graag voet aan de grond wil krijgen.

 

Agostinho is heel even in Pointe-Noire. Hij moet de volgende dag alweer terug naar Luanda, maar we ontmoeten elkaar tussen zijn bedrijven door. Terwijl ik hier slechts moeizaam vooruitgang boek, maakt hij met het Mayombe Transboundary Initiative grote stappen. De regering van Angola heeft onlangs $ 40 miljoen toegezegd aan de verdere implementatie van dit project. Dat biedt ook perspectieven aan Adventures of Mayombe, dat is ontstaan door mijn betrokkenheid bij het Mayombe-initiatief. En wat ik ook weer merk: we delen onze liefde voor de immense natuur van centraal Afrika. Ondanks Agostinho’s Afrikaanse slag hebben we allebei hetzelfde doel voor ogen: het behoud van de bossen van centraal Afrika, het inzetten van toerisme als middel hiervoor en het bieden van alternatieven voor illegale jacht- en kappraktijken aan de lokale gemeenschappen. Hij neemt me in de gauwigheid mee naar een ingenieursbureau dat wordt gerund door een Fransman en een Italiaan. De Fransman stelt voor elkaar dinsdag te ontmoeten: ik heb eerlijk gezegd geen flauw idee waarom maar ik zeg geen nee. Ik ben immers in Afrika, waar iets onverwachts me zomaar verder kan helpen. Agostinho zie ik over drie weken weer.

 

Twee werelden

Ik ben even in een totaal andere wereld terechtgekomen. Ik maak gebruik van het genereuze aanbod van een Nederlands gezin om gedurende hun vakantieperiode in hun huis te zitten. Dat staat in Tchikobo, een villawijk in het centrum van Pointe-Noire. De wijk wordt gebouwd door Maisons sans Frontières, een bedrijf dat is gespecialiseerd in het uit de grond stampen van dergelijke wijken. Door de enorme economische groei in Afrikaanse landen is er een toenemende behoefte aan huizen met aanzien. In dit voormalig moeras van Pointe-Noire zijn binnen vier jaar meer dan driehonderd villa’s neergezet. Ik ben natuurlijk erg blij met het aanbod. Na ruim een maand in de Zweedse missie is het fijn weer eens voor mezelf te kunnen koken, en niet elke ochtend te worden gewekt door de halleluja’s. Maar het is een bevreemdende ervaring hier te zijn. Om de wijk heen staat met een muur met Maisons sans Frontières erop geschilderd, een nogal tegenstrijdige naam voor dit bolwerk. Ook de villa’s zijn ommuurd. Daarbinnen speelt het leven van de rijke – veelal blanke – mensen zich af die hier meestal een paar jaar wonen om te werken voor één van de internationale bedrijven. De huizen worden gebouwd, schoongemaakt en bewaakt door zwarte mensen. Je kunt maar via één richting de wijk in of uit. Dat doen de meeste bewoners met hun door de zaak beschikbaar gestelde 4WD, inclusief chauffeur. Het hele concept biedt zeker ook voordelen aan de Congolezen. Het verschaft werk, en de meeste mensen die hier wonen zijn gewoon aardige mensen, ook voor hun personeel. Maar toch voel ik me ongemakkelijk als ik de wijk uit wandel. Als enige lopende blanke tussen de zwarte Congolezen in bewakingstenue, voel ik me net een ontsnapte gevangene. De mensen moeten zich dood vervelen in dat stoeltje voor het huis dat ze moeten bewaken de hele dag. De meesten kijken langs me heen. Hier is weinig te merken van de flair en de zelfbewustheid die ik ken van de Congolezen.

 

Ik begin met iets waar ik aanvankelijk helemaal geen zin in heb, maar wat absoluut noodzakelijk is: het financiële plan van Adventures of Mayombe. Het businessplan en het marketingplan zijn er allang, maar het financiële gedeelte heb ik zo lang mogelijk voor me uit geschoven. Nu ik erin duik, begin ik het toch leuk te vinden. Wat heb ik allemaal nodig aan inventaris voor Mayombe Guesthouse? Hoe richt ik het Mayombe Visitors Centre in? Wat voor uitrusting moet ik hebben voor safari’s in de bush? Tussen de legpuzzel door van het investeringsbudget, de exploitatiebegroting, en de liquiditeitsbegroting slaap ik nog veel in de nasleep van de chicungunya. De belangrijkste kostenpost, het terrein en het pand, kan ik pas beramen als ik weet in hoeverre de gemeente of de staat wil meewerken aan mijn plan. Maar ik zet de financiën in de steigers. Wat is eigenlijk een redelijke bezettingsgraad voor een klein guesthouse? Hoe bereken ik ook alweer de afschrijvingskosten? En wat is het btw-percentage? Ik begin te vergeten dat ik in Congo zit…

 

Als ik niet beter zou weten, zou ik nu denken dat alle Congolezen niets uitvoeren, honger hebben, en wachten op een actie van hun witte baas om het beter te krijgen.

 

De schoonmaakster komt steeds later en gaat steeds eerder weg. Soms komt ze helemaal niet. Haar werk bestaat uit het openschuiven van de gordijnen, naast de bewaker op een stoel zitten, en me gedag zeggen als ik verdiept zit in mijn begrotingen. Als ik op een ochtend de deur uitga, deelt een bewaker me mee dat hij honger heeft. Ik voel me niet geroepen daar op in te gaan. Vrouwen met schalen op hun hoofd met stukken kokosnoot en mandarijnen maken regelmatig een rondje door de wijk. Mobiele ondernemers hebben een markt gevonden in alle arbeiders die hier aan het werk zijn, en verkopen broodjes avocado of ei. Die kosten 45 cent, wat echt te betalen is voor deze man. De volgende dag is zijn collega ziek. Hij vraagt of hij even weg mag om medicijnen tegen malaria te halen. Ik zeg hem dat hij misschien beter eerst een test kan doen. Wellicht heeft hij iets anders onder de leden. Hij begint een vaag verhaal over dat ik iets voor ze moet doen, want ze hebben het zo zwaar. Wie ‘ze’ zijn is me niet duidelijk, maar ik vraag me af waarom hij vindt dat ik daar iets aan moet doen en zij zelf niet. Enigszins geïrriteerd loop ik de wijk uit. Ik zeg iedereen die schuchter wegkijkt nadrukkelijk goedendag. Alle vooroordelen worden in deze gekke wijk bevestigd. Als ik niet beter zou weten, zou ik nu denken dat alle Congolezen niets uitvoeren, honger hebben, en wachten op een actie van hun witte baas om het beter te krijgen. Ik begin te begrijpen waarom al die blanke mensen in hun huizen blijven en eenmaal buiten niet weten hoe gauw ze in hun dikke auto de wijk uit moeten rijden.

 

Ik ben blij als ik Kendou weer zie: mijn trotse, altijd hulpvaardige, actieve en meedenkende steun en toeverlaat tegen wie ik even flink uitvaar over zijn landgenoten. Hij lacht en neemt me mee naar een barretje op het strand waar we een biertje drinken en verse pinda’s eten. Daarna rijden we naar de Grand Marché. Hij laat me boules d’ambiance en beignets proeven, kleine Congolese equivalenten voor oliebollen alleen dan lekkerder. Terwijl we terug naar Tchikobo rijden, vertelt hij over het moeras van Pointe-Noire waar hij vroeger op karpers viste. Ik weet ten minste weer waar ik ben.

 

Corrupt Congo

Corruptie is een rekbaar begrip. Iedereen is het erover eens dat Congo corrupt is: de Congolezen het eerst. Maar wat er precies onder valt, is te betwisten. Vinden wij het niet zuiver op de graat als een politicus een bilboard met zijn foto door een van corruptie verdachte senator laat financieren, in Congo kijken ze er niet van op als de dochter van president Sassou N’Guesso een hele gemeenschap wegjaagt van een stuk grond om er een monstrueus hotel te laten bouwen. Het gebrek aan wettig grondbezit is een probleem voor veel Congolezen. Ze bezitten niets dan een hutje dat ze ergens hebben neergezet, en als op een dag een hoge pief besluit de grond waar het op staat voor zichzelf te willen gebruiken dan hebben ze geen poot om op te staan. De staat heeft de afgelopen jaren in rap tempo stukken grond toegeëigend, en de inwoners steeds dieper onbruikbaar bos in gestuurd. De grond wordt verkocht aan grote bedrijven. In Pointe-Noire worden monumentale koloniale huizen afgebroken om plaats te maken voor kantoorpanden die veel meer geld opleveren. Het is mijn droom om in één van die huizen Mayombe Guesthouse en het visitors centre te vestigen. Aan het begin van het hele traject, toen Agostinho en ik nadachten over onze strategie, stelde hij voor daarvoor zijn contacten met de regering aan te wenden. Ik wees dat aanvankelijk resoluut van de hand. Inmiddels ben ik daar wel iets op teruggekomen. Immers: wat wij beogen, biedt ook de stad Pointe-Noire en omstreken veel voordelen. Waarom zouden we ze dan niet kunnen vragen het project voor een deel mee te financieren in de vorm van zo’n prachtig pand?

 

Corruptie is ze overal tegengekomen, vertelt ze, maar nergens was het zo stuitend als in Congo.

 

Ik drink een biertje met Michel, een Nederlander die al jaren in Pointe-Noire woont. We hebben het over de voortgang van mijn project, hoe moeizaam het gaat, hoe klein de stappen als ik ze zet zonder een Afrikaan van betekenis aan mijn zij. Zelfs al heeft Sassou N’Guesso het in zijn veelbesproken visie Chemin d’Avenir over het belang van toerismeontwikkeling in zijn land, een ambitieuze en welwillende mundele komt nergens zonder goede contacten. Dan vertelt Michel me dat hij goed bevriend is met de Minister van Toerisme. Als ik een goed plan heb, kan hij me bij hem introduceren. Blij met een nieuwe ingang in het ondoordringbare woud van de Congolese bureaucratie wandel ik terug naar Tchikobo.

 

De volgende dag heb ik een afspraak met Debby, de technisch adviseur van het Jane Goodall Institute in Congo. Ze werkt in het Tchimpounga Rehabilitation Centre ten noorden van Pointe-Noire, het grootste chimpanseeopvangcentrum in Afrika. Ook zij zijn bezig met het ontwikkelen van toeristische producten, en we kijken of we iets voor elkaar kunnen betekenen. Debby heeft veel ervaring in Afrika. Ze heeft in Burundi ten tijde van de oorlog onderhandeld met de regering om verweesde chimpanseetjes naar een veiliger opvangcentrum in Kenia te kunnen verplaatsen. In Oeganda heeft ze een chimpanseeopvangcentrum gerealiseerd en er vervolgens één van de grootste toeristische trekpleisters van het land van gemaakt. Corruptie is ze overal tegengekomen, vertelt ze, maar nergens was het zo stuitend als in Congo. Ik vraag haar advies over een eventuele toekomstige samenwerking met de gemeente Pointe-Noire, en het voorstel van Michel me bij de minister te introduceren. Ze is er kort en krachtig over, wat ik op prijs stel en af en toe erg mis hier in Afrika. Geef je plan niet uit handen, en houd de volledige controle over je eigen bedrijf, is haar advies. Presenteer een strategie om toerisme te implementeren in de regio, geef aan wat jij daar in kunt betekenen, en begin kleinschalig en voor jezelf. Als je de mensen met macht op wat voor manier dan ook toelaat in je bedrijf, dan knikkeren ze je eruit als het goed gaat. Daar ben ik 100% zeker van, zegt ze. Dat kan ik in mijn zak steken.

 

Hilde belt, de directrice van nationaal park Conkouati-Douli. Ze gaat binnenkort op vakantie en vraagt of ik op haar dieren wil passen. Ik houd in eerste instantie een slag om de arm. Agostinho is net terug als zij weggaat, en ik wil de tijd waarin ik met hem kan samenwerken zo veel mogelijk benutten. Maar naarmate de avond verstrijkt begin ik genoeg te krijgen van de afwachtende houding waarin ik me steeds gedwongen voel. Ik moet het voortouw gaan nemen. En ik wil weer eens even in de rimboe te zitten in plaats van in de stad. Daarna kan ik met frisse moed verder met Agostinho. Als hij weer geen tijd voor me kan maken en ik altijd maar degene ben die me aanpas aan zijn Afrikaanse tijdschema, dan kunnen we de samenwerking maar beter helemaal niet aangaan. Dan ga ik in Conkouati ook gelijk even goed nadenken over een plan B. Dit voelt goed: het heft weer in eigen hand nemen.

 

Vakantie in Congo

Ook in Congo is het vakantie. Vanaf half juli zijn de scholen drie maanden gesloten. Als de kinderen van Pointe-Noire geluk hebben, hebben ze familie in Conkouati-Douli of Mayombe die ze in deze periode een bezoek brengen. Anders blijven ze gewoon thuis. Ze spelen met het zand dat alle bouwwerkzaamheden met zich meebrengen, voetballen en draaien verder mee in de dagelijkse gang van zaken. Ik kijk naar het journaal op de publieke televisiezender voor Nederlanders in het buitenland. Het staat in het teken van de economische crisis: stakingen in Griekenland, oplopende werkloosheid in Portugal, en Nederlanders die niet in het buitenland op vakantie kunnen. Als ik dit laatste vertaal voor Kendou barst hij in lachen uit. Door een crisis niet op vakantie kunnen, kan hij conceptueel amper bevatten. Congo zit economisch enorm in de lift, maar hij is nog nooit op vakantie geweest. Een groot deel van de Congolese bevolking leeft onder de armoedegrens, terwijl ze niet per se vinden dat ze het slecht hebben. Het is maar wat je gewend bent belangrijk te vinden.

 

Volgens mij is Afrika het continent van de toekomst.

 

Wil je écht een toeristisch bedrijf opzetten in Cóngo? vroeg Natalie me ongelovig toen ik kennis met haar maakte eerder dit jaar. Ze is directrice van Renatura, een lokale NGO die zich toelegt op de bescherming van de zeldzame zeeschildpadden die elk jaar aan de Congolese kust hun eieren komen leggen. Ze is Française, maar woont al jaren in Pointe-Noire. Haar organisatie levert een belangrijke bijdrage aan het natuurbehoud van Congo. Ze bevrijden samen met plaatselijke bewoners de schildpadden die onbedoeld in vissersnetten belanden, houden tijdens het broedseizoen de nesten in de gaten, en helpen pasgeboren schildpadjes met hun gevaarlijke tocht over het strand naar de zee. Haar woorden, en vooral de verbazing die erin doorklonk, schieten deze week opnieuw door mijn hoofd. Mijn gesprek met het Jane Goodall Institute vorige week hebben me weer met beide benen op de grond gezet, maar ik moet me nou ook niet laten ontmoedigen. Waarom níet in Congo? Volgens mij is Afrika het continent van de toekomst. Congo verwacht in 2013 een economische groei van maar liefst 10,4%. En dat, terwijl de olieproductie is gedaald. Congo is voor het overgrote deel van zijn inkomsten afhankelijk van olie. Maar de regering is niet gek, en zet met haar beleid in op diversificatie. De 22 miljoen hectare aan regenwoud staan voor een onmetelijke lading tropisch hardhout; het klimaat leent zich uitstekend voor palmolieplantages (niet dat ik daar nou voorstander van ben…). En dan zijn er nog de grondstoffen die het land rijk is: potas, lood, zink, fosfaten, goud, magnesium. De meesten van de 4,1 miljoen inwoners wonen in de hoofdstad Brazzaville, Pointe-Noire, en langs de spoorweg die deze steden verbindt. Genoeg grond te ontginnen zonder al te veel verzet dus, en de voorbereidingen daarvoor zijn in volle gang.

 

En ja, ook het toerisme is nog een onontgonnen gebied in dit land. Wat mij betreft een sector die hand in hand moet gaan met de economische ontwikkeling van dit land. Want met die ontwikkeling – die de mensen een hoop goede dingen zal brengen – komt ook gevaar om de hoek kijken. Ontbossing, afbrokkeling van de leefomgeving van bedreigde dieren die hier leven, zoals gorilla’s, chimpansees, en bosolifanten, verlies aan biodiversiteit, en verarming van het culturele erfgoed van de lokale gemeenschappen. Toerisme kan dan een positieve rol spelen, omdat flora, fauna en cultuur een economische waarde krijgen, en daardoor beter worden onderhouden en gekoesterd. Het moet dan wel in goede banen worden geleid. Niet dat ik de illusie heb dat ik met Adventures of Mayombe de ontbossing van het Congo Bekken kan tegengaan. Maar ik kan wel proberen om er samen met de mensen die hier wonen een begin mee te maken. Dan creëren we gelijk een vakantiebestemming voor de Congolezen. Kunnen zij ook eens op vakantie. In eigen land, dat is dan wel weer een minpuntje…

 

Balans opmaken

In een boek over internationale etiquette lees ik dat wij Nederlanders de gewoonte hebben iemand recht en doordringend aan te kijken als hij tegen ons praat. Hoewel dat bedreigend kan overkomen, duidt het juist op een oprechte interesse in de ander, staat er. Verder drinken we het liefst jenever tijdens borreltijd, zitten vrouwen met één knie over de andere (dus niet met een enkel op de knie: dat doen alleen mannen!), en moet je bij ons niet tegen een muur leunen. Ik blader snel door naar wat er over de Congolezen wordt gezegd. Vrij vertaald: er is altijd begrip voor de onoverkomelijke vertragingen en onverwachte situaties die zich kunnen voordoen, en voor het feit dat de dingen niet gaan zoals gepland of afgesproken. Mensen kunnen wel of niet komen opdagen, dingen kunnen anders lopen dan de bedoeling was. Afspraken zijn altijd flexibel. Omdat de ‘wie’ belangrijker is dan het ‘wat’ en ‘wanneer’ zijn er gedurende een vergadering veel onderbrekingen. Verplichtingen tegenover anderen – die in en uit lopen tijdens een afspraak – zijn belangrijker dan de dingen doen volgens schema. Als je moet wachten of wordt genegeerd doordat een ander iets nodig heeft, is dat een indicatie van hoe belangrijk je bent ten opzichte van die andere persoon.

 

En Agostinho heeft weer andere prioriteiten. Ik weet dat het niet zijn bedoeling is, maar zo kan ik niet verder. Ik moet knopen doorhakken. Op papier lijkt hij als zakenpartner zo’n goede keus, maar aan alleen zijn naam heb ik niet zoveel. Bovendien zit er een limiet aan mijn aanpassingsvermogen aan de Afrikaanse mentaliteit, en die is nu wel bereikt. Adventures of Mayombe is in de huidige opzet echter te groot om in mijn eentje te trekken hier in Congo. Ik moet overgaan op plan B, dat ik overigens nog niet heb. Ik heb het gevoel twee maanden te hebben verspild. Het is tijd de balans op te maken. Dat ga ik doen in Conkouati-Douli.

 

Ze hebben allebei een zware zak over hun schouder: prototypes van dieven uit een stripverhaal. Alleen het zwarte oogmasker ontbreekt.

 

Nationaal park Conkouati-Douli beslaat 5.050 km2, en ligt aan de noordwestkust van het land. 1.200 km2 van het park is oceaan. Daardoor heeft het een enorme variatie aan landschappen: oceaan, lagunes, meren, moerassen, savannes, en regenwouden. Er leven bosolifanten, gorilla’s, chimpansees, nijlpaarden, manatees, zeeschildpadden en walvissen, om maar een paar soorten te noemen. Dit gebied heeft twee jaar geleden een onuitwisbare indruk op me gemaakt.
Conkouati ligt ongeveer 150 km boven Pointe-Noire. Het wordt gerund door het Ministère de l’Économie Forestière et du Développement Durable en de Wildlife Conservation Society (WCS). Ik ga vroeg in de middag met een pick up van de WCS op weg. Voordat we de stad uitrijden, zijn we zo’n twee uur verder. De voorraad van het hoofdkwartier, waar ik ga verblijven, moet eerst worden ingeslagen waarvoor we kriskras de stad doorkruisen. Bouwmaterialen, drinkwater en benzine, maar ook: dozen met broden, zakken fruit en kratten bier voor de dertig ecoguards die in het park werken. Zij zijn de hoeders van het park. Sinds 2005 hebben ze meer dan honderd ton aan bushmeat in beslag genomen, en meer dan 60.000 vallen verwijderd. Onderweg ziet de chauffeur met zijn geoefende oog twee mannen wegvluchten. Ze hebben allebei een zware zak over hun schouder: prototypes van dieven uit een stripverhaal. Alleen het zwarte oogmasker ontbreekt. Ze duiken een maniokveld in: het hoofdvoedsel van de Congolezen. Ik denk in mijn onschuld dat hun zakken gevuld zijn met maniokwortels. De chauffeur lacht mijn naïveteit weg: waarschijnlijk hebben ze bushmeat in de zakken zitten. Omdat er geen ecoguards met ons meerijden, moet hij doorrijden en de stropers hun weg laten vervolgen. Ze kijken ons verbaasd na.

 

Het hoofdkwartier bevindt zich in het westen van het park, nabij Gabon. Het huis waar ik ga verblijven heeft een overweldigend uitzicht op de lagune van Conkouati. Op heldere dagen kun je tot in de verre verten de wouden van het Congo Bekken zien liggen. We komen in het donker aan. Ik drink nog een biertje op de veranda en ga vroeg slapen. Als ik de volgende ochtend wakker word, is het huis door een dichte mist omhuld. Ik hoor het geschreeuw van chimpansees aan de overkant van de lagune. Als de mist optrekt, komt de savanne komt tevoorschijn, en de lagune met haar mangrovebossen wordt zichtbaar. Ik wandel naar de oever, en staar samen met Whiskey de hond over het water dat bedekt is met geurende lelies. Gekleurde vogels vliegen voorbij. Nog één maand te gaan. Ik heb het gevoel alle troeven in handen te hebben, maar iets heel voor de hand liggends over het hoofd te zien. Maar wat? Op het eiland aan de overkant zie ik mijn oude chimpanseevriend Banane in een boom zitten. Die ga ik morgen maar eens met de kajak een bezoekje brengen. Misschien heeft hij nog suggesties.

 

Voortschrijdend inzicht

Conkouati wordt langzaam maar zeker ook door toeristen ontdekt. Dat is niet zo verwonderlijk want het is een paradijs op aarde. Je moet er wat voor doen om er te komen, maar ook de weg ernaartoe is de moeite waard. Hoewel ik in de twee jaar dat ik hier nu kom al veel heb zien veranderen. De route door de jungle is de afgelopen maanden tot aan de Noumbi rivier letterlijk platgewalst. De breedte van het oppervlak aan woud dat is kaalgeslagen doet vrezen voor de plannen die de regering heeft met het gebied. Dat wordt al zichtbaar even buiten Pointe-Noire. Daar heeft de staat bewoners onteigend, omdat de dochter van president Sassou N’Guesso een hotel wil neerzetten op wat tot voor kort hun grondgebied was. Maar de lokale bevolking kan er zelf ook wat van. Nadat er een geasfalteerde weg naar de rivier is aangelegd door het gelijknamige dorp Noumbi, is de complete strook mangrovebos aan het einde van die weg tot aan de laatste wortel verwijderd. Waarom is me een raadsel. Het was niet alleen een prachtig stuk oerwoud met een rijkdom aan flora en fauna, maar ook een natuurlijke buffer tegen het water dat hier in het regenseizoen meters kan stijgen. Dat stroomt als later dit jaar de regen komt rechtstreeks het dorp binnen.

 

Het dorp denkt dat met het aanbieden van de hutjes het geld snel binnenstroomt zonder verder nog iets te hoeven doen; de toeristen denken uitgebreid vermaakt te worden in een authentiek Congolees dorp.

 

De WCS heeft een grote bungalow voor haar basiskamp gebouwd waar toeristen kunnen verblijven. Ook een dorpje in het park heeft een aantal toeristenhutjes neergezet. De WCS adviseert hierbij, maar heeft noch de tijd noch de mogelijkheden om dit te monitoren. De verwachtingen van zowel het dorp als de (weinige) toeristen die er komen, zijn daardoor veel te hoog. Het dorp denkt dat met het aanbieden van de hutjes het geld snel binnenstroomt zonder verder nog iets te hoeven doen; de toeristen denken uitgebreid vermaakt te worden in een authentiek Congolees dorp. In werkelijkheid zitten de mensen een beetje ongemakkelijk tegenover elkaar. Tijdens een evaluatiebijeenkomst concludeerden de dorpsbewoners al dat ze niet te openlijk naar de blanke vrouwen moeten staren.

 

De Congolese regering wil de komende jaren internationaal gaan meetellen op de toeristische markt. Zij wil dat toerisme binnen vijf jaar 10% van het BBP oplevert. Momenteel is dat minder dan 1%. Maar als ik iets heb geleerd de afgelopen maanden, dan is het wel dat de mensen die het hier voor het zeggen hebben alleen maar geïnteresseerd zijn in het eigen gewin dat toerisme ze kan opleveren, en niet in de economische ontwikkeling van de Congolezen waarvan ruim 40% onder de armoedegrens leeft. Wat me ook duidelijk is geworden, is dat toerisme hier een toverwoord is. Werkelijk iedereen wil liever vandaag nog dan morgen meewerken aan Adventures of Mayombe. Maar eigenlijk hebben ze geen flauw benul van wat ik wil gaan doen. Er is weinig kennis van verantwoord toerisme, de behoeften van toeristen, en hoe toeristische producten aan de man te brengen. En er is al helemaal geen besef van de negatieve impact die toerisme kan hebben op hun leefomgeving. De Congolese regering kan dan wel lonken naar het toerisme, maar zijn de Congolezen er wel klaar voor?

 

Het antwoord is nee. Maar als ik op basis van gelijkwaardigheid samen met de lokale bevolking toeristische producten wil ontwikkelen, dan moeten deze mensen wel begrijpen wat dat inhoudt. Ik heb de afgelopen maanden op het verkeerde paard gewed. Samenwerking met het lokale bestuur – waar ik op had ingezet om voor een redelijke prijs aan vastgoed in het centrum te komen – is te riskant vanwege de wijdverbreide corruptie. En als ik mijn huidige plan met eigen middelen moet financieren, wordt het te duur om het kleinschalig te kunnen houden. Ik moet me richten op de mensen die dichter bij de lokale gemeenschappen staan, maar wel genoeg invloed kunnen uitoefenen. Creatieve geesten, mensen met passie, voorvechters. Ik maak een paar afspraken voor de komende week met mensen waarvan ik vermoed dat we wat voor elkaar kunnen betekenen, en vraag bij het WCS-hoofdkwartier wanneer de eerstvolgende auto naar Pointe-Noire vertrekt.
Dat kunnen ze me nog niet zeggen. Vandaag in ieder geval niet, maar misschien morgen en anders waarschijnlijk overmorgen. Daar gaat mijn strakke planning weer. Nou ja, een paar extra dagen in het paradijs kunnen er altijd wel bij.

 

Terug naar Doumanga

Weer in Pointe-Noire spreek ik af met Jean-Baptiste, die ik ken sinds mijn eerste bezoek aan Congo. Jean-Baptiste geeft voorlichting over natuurbehoud aan scholen en bedrijven. Ik neem ook contact op met Marguerite, die ik eerder op het Green Business Forum ontmoette. Ze maakt zich hard voor de vrouwen in lokale gemeenschappen, en speelt een rol in het Réseau Africain de Forêts Modèles, een initiatief dat natuurbehoud en duurzaam management van de bossen in Centraal Afrika wil verbeteren. En Kendou en ik brengen weer een bezoek aan Doumanga, onze uitvalsbasis in Mayombe. Deze keer hebben we chef de village Grand John gebeld om te zeggen dat we komen, en dat ik iets met hem wil bespreken.
Uiteindelijk ben ik tien stappen teruggegaan. Het doel van Adventures of Mayombe is een bijdrage leveren aan het behoud van de bossen van centraal Afrika. Volgens mij kan dat als de mensen die daar leven alternatieven hebben voor de illegale houtkap en de jacht. Toerisme is zo’n alternatief, maar voordat dit ook daadwerkelijk een bijdrage levert aan natuurbehoud moeten deze mensen de kennis hebben om afgewogen beslissingen te kunnen nemen over een eventueel toeristisch project in hun gemeenschap. Die kennis hebben ze niet. Daar moet ik dus beginnen.

 

Grand John heeft het druk. Over een paar maanden zijn er verkiezingen in Congo, en aan alle chefs de village de taak de stemgerechtigden op te roepen zich te registreren. Sinds Denis Sassou N’Guesso in 1997 aan de macht is, wordt hij ervan beschuldigd verkiezingen te manipuleren. Volgens de oppositie zijn er tijdens de laatste verkiezingen in 2009 tussen de 50.000 en 500.000 fictieve stemmen op zijn partij, de Parti Congolais du Travail (PCT), uitgebracht. Met deze registratie hoopt Sassou N’Guesso een middel in handen te krijgen deze beschuldigingen te ontkrachten. De Grondwet, die hij zelf in 2002 heeft ingevoerd, schrijft voor dat een president twee termijnen mag regeren. Daarna moet hij het stokje overdragen. Desondanks heeft hij aangegeven nog een derde termijn te willen volmaken om zijn programma, Le Chemin d’Avenir, verder uit te voeren. Maar daarvoor moet de Grondwet dus worden aangepast. Tot op dit moment is het niet duidelijk wat hij van plan is. Er is nog niemand aangewezen die hem eventueel gaat opvolgen. En wanneer de verkiezingen plaatsvinden, is ook nog niet bekend. Er is nog geen datum vastgesteld. Het is dus totaal onduidelijk voor de Congolezen wat hen straks staat te wachten. Stemmen is niet verplicht; registreren wel. Daarom staat Grand John nu een groot raamwerk in elkaar te timmeren om een spandoek aan te bevestigen waarop iedereen van 18 jaar en ouder wordt opgeroepen zich te melden. We installeren ons in onze hut, en drinken een biertje met Grand John. Terwijl ik hem mijn plannen uitleg, worden we veelvuldig onderbroken door dorpsbewoners met vragen over de registratie. Die zijn natuurlijk belangrijker dan een mundele, maar ik zie wel dat ik zijn aandacht heb gewekt. Ineens kondigt hij aan dat hij moe is. ‘Maar morgenochtend praten we verder’, zegt hij.

 

Het wordt nog een hele dobber deze mensen ervan te overtuigen dat ze geen bushmeat moeten promoten.

 

Verrassend genoeg blijkt de volgende ochtend dat Grand John al allemaal ideeën heeft over wat zijn dorp aan interessants te bieden heeft aan toeristen. Hij vertelt over grote watervallen dieper in het woud, riviertjes, meren. Hij heeft het over een grote geologische constructie in de vorm van een boot met een grot erin midden in een rivier, over papegaaien die in bepaalde tijden van het jaar in groten getale neerstrijken in Doumanga, over de vele, vele vogels die in Mayombe leven – Birdlife International heeft delen van Mayombe aangewezen als Important Bird Area. Hij heeft het er ook over dat toerisme dan wel een stokpaardje van de regering is, maar dat ze niet op hulp uit die richting rekenen. Ik ben dan ook zeer welkom om hier een project op te zetten.
Kendou informeert naar de prijzen van percelen in Doumanga. Grand John laat ons verschillende stukken grond zien. Vlak langs de weg, maar ook wat dieper het bos in. Grote blauwe vlinders fladderen om ons heen. ‘In het droge seizoen zoeken de schubdieren hier fruit. Die zijn heerlijk om te eten’, vertelt hij enthousiast. Het wordt nog een hele dobber deze mensen ervan te overtuigen dat ze geen bushmeat moeten promoten. De prijs van een perceel van 900 m2 is goedkoper dan drie dagen huur van onze auto. Met genoeg stof tot nadenken rijden we weer terug naar Pointe-Noire. Weer een klein stapje vooruit.

 

Alles is hier altijd op

In Afrika word je er altijd weer met je neus bovenop gedrukt: de hoeveelheid spullen die wij in het westen bezitten. Onze huizen puilen uit van de dingen die we helemaal niet nodig hebben. Ik heb nooit zoveel moeite met de armoede in Afrika. Dat is een rekbaar begrip. Het is natuurlijk vreselijk als mensen honger lijden. Maar de meeste Afrikanen hebben helemaal geen honger. Veel bezit hebben ze trouwens ook niet. Maar daar hoor ik ze nooit over klagen.
Waar ik wel altijd moeite mee heb als ik hier ben, is onze gewoonte zo ongelofelijk veel te verspillen. Wat we allemaal weggooien waar de mensen hier ontzettend blij mee zouden zijn. In Kenia gebruikten we het papier vier keer: twee keer op beide zijden. De eerste keer met lichtgrijze inkt, de tweede keer met zwarte. En daarna werd het nog niet weggegooid, want het kon altijd nog ergens voor dienen.

 

Alles is hier altijd op. Het enige wat ze hier aan overvloed lijken te hebben, en wij een ernstig tekort aan, is tijd. Na alle aanpassingen in mijn plan wil ik het wel weer eens uitdraaien. In het kantoor van de IUCN kan ik de printer gebruiken. Eenmaal daar, blijkt de zwarte inkt op. Er wordt al hoopvol naar me gekeken, maar ik voel me niet geroepen peperdure cartridges te kopen voor een project dat net miljoenen aan subsidies heeft gekregen. Ik draai mijn hele plan in cyaan uit, maar halverwege gaat er iets mis. Het hele kantoor komt erbij, maar het mag niet baten. De printer doet het niet meer. Het internet werkt trouwens al dagen niet. Ik bied mijn laptop aan zodat de mensen hun mail kunnen checken. Op dit soort momenten haak ik altijd even af. De projectleider van het initiatief krijgt een gloednieuwe auto inclusief chauffeur en wordt te pas en te onpas de wereld overgevlogen, maar de mensen die het werk moeten uitvoeren hebben nog geen pen en papier tot hun beschikking. Twee uur later vertrek ik weer zonder print. Een ronde langs de cybercafeetjes in de stad brengt me terug bij de Zweedse Missie, waar ik voor bijna € 20,00 dertig pagina’s kan laten printen. Missie geslaagd. Waar ik in Nederland in mijn eigen huis met een druk op de knop in drie minuten klaar ben, neemt hier een hele ochtend kriskras door Pointe-Noire in beslag. Het zijn dit soort basale zaken die mijn werk enorm kunnen frustreren. Het heeft geen zin een planning te maken, want alles pakt altijd anders uit dan ik heb bedacht. Net als ik denk dat ‘j’arrive’ in het Congolees eigenlijk betekent ‘ik ben er over een uur of twee’, en ik nog even op mijn gemak een cappuccino ga drinken bij het Grand Café, word ik gebeld met de mededeling dat iedereen klaar is, en alleen ik nog ontbreek. Ik haast me terug. Maar een bijkomend voordeel van het volkomen gebrek aan efficiëntie is dat Congolezen het geen punt vinden als ze op een ander moeten wachten.

 

Het gevolg is dat ik nu al die tijd zonder geldig visum in Congo verblijf.

 

Vorig jaar vroeg Kendou een nieuw paspoort aan, want zijn oude was verlopen. Het paspoortpapier was op. Zijn aanvraag kon vijf maanden later in behandeling worden genomen. Toen ik eerder dit jaar Congo bezocht, bleef ik drie weken. Zoals altijd kwam ik het land in met een uitnodigingsbrief, en wilde ik ter plekke een visa d’entrée kopen. Dat ging niet, want de stickers voor een dergelijk visum waren op. Ik kon alleen een visum krijgen voor drie maanden. Aan het begin van mijn huidige verblijf wilde ik opnieuw een visum kopen – nu echt voor drie maanden. Maar inmiddels waren de stickers voor drie maanden ook op. Ik kon wel een visum voor een jaar kopen, maar daar komt een hoop administratieve rompslomp bij kijken. Bovendien is een jaarvisum niet goedkoop. Het gevolg is dat ik nu al die tijd zonder geldig visum in Congo verblijf. Ik ben benieuwd wat de douane daarmee doet als ik volgende week weer naar Nederland vertrek.

 

De cirkel is rond

Drie maanden geleden kwam ik naar Congo om te onderzoeken hoe ik Adventures of Mayombe kon vestigen in Pointe-Noire. Ik wilde nadrukkelijk een onderneming opzetten: een commercieel bedrijf met weliswaar sociale motieven, maar uiteindelijk moet ik er natuurlijk ook van kunnen leven. Ik vond dat Afrikanen meer gebaat zijn bij een gelijkwaardige handelspartner dan bij eenzijdige hulpverlening. Dat vind ik nog steeds. Maar ik ben me inmiddels wel gaan realiseren dat hier alles nog zó in de kinderschoenen staat, dat ík degene ben die hulp nodig heeft. Ik zie geen mogelijkheden om dat wat ik oorspronkelijk wilde doen te kunnen doen zonder me in enorme schulden te steken. Om die te compenseren zou ik een andere bedrijfsfilosofie moeten hanteren, en dat wil ik niet. Met plan B wil ik een informatiecentrum voor toeristen en toerismeontwikkeling opzetten, van waaruit ik kleine projecten in Mayombe wil initiëren. Jean-Baptiste suggereerde samen een NGO op te zetten, en dat lijkt me een goed idee. Maar wat voor juridische vorm moet een dergelijke organisatie dan hebben? Het is dezelfde vraag die ik bij aanvang van dit hele traject al heb gesteld, alleen toen nog met een ander businessconcept. Ik begin op de valreep weer van voren af aan.

 

Ik ga weer naar de Chambre de Commerce van Pointe-Noire. Daar verwijzen ze me door naar het Centre de Formation des Entreprises. Daar ben ik ook al eerder geweest. Na een zoektocht – het centrum blijkt inmiddels te zijn verhuisd – vertellen ze me daar dat ik voor het oprichten van een NGO bij de prefectuur moet zijn. Maar ook daar ben ik al geweest. De directeur van Toerisme daar interesseerde het geen moer wat ik hier wil doen. Natuurbehoud? Economische ontwikkeling van de lokale gemeenschappen? Whatever, als u maar dokt. Ik was van harte welkom om zaken te komen doen in Congo, zei hij na vijf minuten onderhoud terwijl hij de deur alweer voor me openhield ten teken dat ons gesprek was afgelopen. Waarom moet ik voor het oprichten van een niet-gouvernementele organisatie bij de vertegenwoordiger van de regering zijn? wil ik vragen. Maar het stellen van waarom-vragen heeft hier weinig zin: er zijn meestal geen antwoorden. Congolezen lijken over het algemeen niet zo geïnteresseerd in de reden der dingen. Het is zo omdat het zo is. Maar naar de prefectuur ga ik niet meer. Niet vandaag. Ik ga eerst maar eens naar huis.

 

Ik heb het gevoel na een barre tocht van drie maanden waarin ik een pad door het woud probeerde te effenen weer op het beginpunt te zijn aangekomen.

 

“Alle ondernemers zijn creatief én destructief. Ze breken af en bouwen nieuwe huizen met de oude stenen. Alles blijft gelijk en alles verandert. Het succes van een bedrijf is voor een deel creativiteit en voor een ander deel vastberadenheid. We lopen allemaal in een bos waarvan iedereen weet dat het zijn grenzen heeft, maar niemand weet waar het bos het kortste eind heeft. Maar we weten dat degene die vastberaden doorloopt, uiteindelijk bij de rand van het bos komt. Het is de afweging niet maken en de twijfel niet hebben.” Een deel uit een quote [Harry Starren] die ik lees in een onderzoek naar nieuwe businessmodellen. Om in de termen van dat bos te blijven: ik heb het gevoel na een barre tocht van drie maanden waarin ik een pad door het woud probeerde te effenen weer op het beginpunt te zijn aangekomen. Toch heb ik niet het gevoel niets te zijn opgeschoten. Het gaat alleen veel langer duren dan ik had bedacht. Ik heb de afgelopen periode slechts een verkenningstocht gemaakt, terwijl ik dacht dat ik die allang achter de rug had. Dat was naïef: dit is immers Afrika waar tijd een andere waarde heeft en de mensen een andere perceptie hebben. Het is de kunst om daarin mee te gaan zonder mezelf tekort te doen. Maar ik weet nu tenminste hoe het bos eruit ziet, en heb gaandeweg een paar mensen ontmoet waar ik straks – als ik hier weer terug ben – mee verder kan. En ook de cirkel die ik heb gebaand, heeft me iets dichter bij mijn doel gebracht.
Wordt vervolgd…

 

Meer Congo-Brazzaville

 

Reis verder…